TOELICHTINGEN EN TEKSTEN
Over de geschiedenis van de gezongen passie
en de Markus Passion van Reinhard Keiser
De gezongen passie is een liturgische kunstvorm. De voordracht leeft lange
tijd voort via mondelinge traditie. In de 4e eeuw maakt men al onderscheid
in de voordracht: Jezus met lage stem, als uitdrukking van nederigheid (humilitas)
en de turbae (teksten van het volk) met hoge stem, als uitdrukking van toom
(ira). Er ontstaat de traditie dat de passie van Mattheüs op Palmzondag
wordt gelezen, die van Johannes op Goede Vrijdag en de versies van Marcus
en Lucas op de dinsdag en woensdag van de Goede Week. Tot ongeveer de 13e
/ 14e eeuw wordt het verhaal door één lezer verteld, waarbij
vanaf ongeveer de 10e / 11e eeuw de weergave van de lectiotoon (reciteertoon)
wordt genoteerd in neumen, een notatiewijze zoals ook het gregoriaans wordt
genoteerd. In deze weergave van de passie staan al aanwijzingen voor de voordracht:
hoog (sursum), snel (cito) of zwaar en waardig (gravitas).
De theologie heeft uiteraard invloed op de liturgische kunst, dus ook op de
voordracht van de passie. In de vroege westerse kerk stond het dogma, de leer
centraal. In de passievoordracht uitte dit zich in een sobere, objectieve
voordracht. Ook in afbeeldingen van Jezus aan het kruis lijdt hij niet in
de eerste plaats, maar wordt hij afgebeeld als overwinnaar. Als vanaf de 13e
/ 14e eeuw de voordracht van de passie verdeeld wordt over meerdere personen
is dat het gevolg van de ontwikkeling van de theologie van die tijd. Er is
duidelijk een verschuiving van doctrina = leer naar compassio = medelijden,
van objectiviteit naar subjectiviteit. In de kunst uit zich dit door sensibiliteit,
gevoeligheid. Het rollenspel in de passie is hier het gevolg van, met als
doel een grotere compassie met de lijdende Jezus op te wekken bij de kerkganger.
De voordracht wordt nu verdeeld over drie geestelijken. Elk zingt op een eigen
hoogte, eenvoudig gezegd Jezus met lage stem, de Evangelist met middenstem
en de Kleine Partijen/Turbae met hoge stem.
Vanaf ongeveer de 11e eeuw zien we een verschuiving naar een verinnerlijkte
geloofsbeleving. Men wil lijden met de lijdende Jezus. Vanaf de 14e eeuw zien
we in de beeldende kunst het aantal omstanders onder het kruis toenemen. Dit
is verwant met het grotere aantal deelnemers (rollenspel) in de passievoordracht
en zal in de 15e eeuw leiden tot echte meerstemmigheid. De theolgische verschuiving
naar compassio loopt in de 15e eeuw uit op identificatio (identificatie/navolging)
o.a. bij Thomas â Kempis. Hij schrijft ‘De imitatione Christi’:
sociale en politieke omstandigheden drijven tot navolging van Christus. In
het licht hiervan lijkt het opnemen van de meerstemmigheid louter versiering,
ogenschijnlijk in contrast met het wrange verhaal, maar is bedoeld als uiting
van dankbaarheid en bovendien vooral óók als concretisering
van de gebeurtenissen.
Vanaf de invoering van de meerstemmigheid in de passie ontwikkelen zich in
de geschiedenis vier soorten passies:
• responsoriale passie: in deze vorm worden de
solozangers (evangelist, Jezus e.d.) tegen over het koor (turbae) geplaatst.
Na zijn Reformatie neemt Luther veel elementen over uit de Katholieke liturgie
waaronder ook de gezongen passie. De passie wordt al snel uitgebreid met een
inleiding (exordium) en besluit (conclusio), vaak in de vorm van een dankzegging,
Iofprijzing of gebed.
• doorgecomponeerde -of motetpassie: hier wordt
de volledige tekst van het lijdensverhaal meerstemmig gecomponeerd, zodat
het klinkt als een, zij het zeer lang, motet.
• oratorische passie: deze vorm komen we tegen
vanaf enkele jaren na 1700 tot het eind van de 18e eeuw. Kenmerk is dat het
lijdensverhaal onverkort blijft gehandhaafd en nu gecombineerd wordt met elementen
uit de opera en oratorium. De lectiotoon is al in de loop van de 17e eeuw
verlaten. Hiervoor komen in de plaats zelfgecomponeerde recitatieven. Het
verhaal wordt afgewisseld met aria’s als emotionele reactie van het
individu op de gebeurtenissen. De eveneens ingevoegde koralen zijn bedoeld
als reactie namens de gemeenschap. De woorden van Jezus worden vaak begeleid
door de strijkers van het orkest: een methode uit de opera! Bovennatuurlijke
wezens/personen, geesten e.d. worden zo immers omgeven met een verheven klank-aureool.
• passie-oratorium: een nog grotere stap na de
oratorische passie in de richting van nog grotere, zeer emotionele subjectiviteit.
Men gaat daartoe zelfs zover dat men de oorspronkelijke evangelietekst vervangt
door berijmde parafrases op het bijbelverhaal waarbij het lijden van Jezus,
vaak op overdadig-barokke wijze, centraal staat.
Na de 18e eeuw zien we dat de traditie van de gezongen passie naar de achtergrond
verdwijnt. Pas weer in de 20e eeuw zien diverse soorten passies van o.m. Pepping,
Disteler, Martin, Penderecki, Part en Goebaidoelina het licht.
De nu uit te voeren Markus Passion van Reinhard Keiser (1674-1739) is een
oratorische passie. In zijn passie komen alle elementen hiervan naarvoren:
zelfgecomponeerde, emotioneel geladen recitatieven waarin het oorspronkelijke
en onverkorte bijbelverhaal zeer beeldend verteld wordt, waarbij de Christuswoorden
omgeven worden door een aureool van strijkers; de felle koordelen (turbae)
in de rol van het volk, de soldaten of de hogepriesters en schriftgeleerden;
de aria’s als individuele reactie van de gelovige ziel op wat er gebeurt
en de koralen als reactie van de gelovige gemeenschap.
Keiser werkte en leefde in Hamburg, waar hij vooral als operacomponist veel
succes had alhoewel hij daarnaast ook gerespecteerd was als kerkmusicus. Welnu,
invloed van de opera is zeker hoorbaar in de manier waarop hij als echte barokcomponist
het gehele arsenaal van gemoedsaandoeningen (affecten) toonzet. Anderzijds
toont hij, waardoor de zaak in evenwicht blijft, gevoel voor het liturgische
element door de invoeging van koralen maar ook door het componeren van een
inleiding (exordium) en besluit (conclusio): na de vijf strofen van het koraal
‘0 Traurigkeit, o Herzeleid’ klinkt als ‘Danksagung’
een welhaast feestelijk ‘Amen’. Deze Markus Passion stamt vermoedelijk
uit het eerste decennium van de 18e eeuw. Wie de dichter is van de poëzie
die gebruikt is voor de aria’s is (mij) niet bekend. De koraalteksten
zijn van de hand van diverse dichters en waren voor elke Lutherse gelovige
in Duitsland vertrouwd terrein
Bach en deze passie
Bijzonder aan deze passie is dat hij meerdere malen door Bach is uitgevoerd
zowel in Weimar als ook later in Leipzig. Ook Bach’s passionen zijn
oratorische passies en vooral in de Matthaus Passion is verwantschap met de
Markus Passion in sommige compositietechnieken en keuze van de koralen aanwijsbaar
Bach heeft wel aan de Markus Passion van Keiser wat gewijzigd. Van inzicht
op het gebied van verhouding en structuur getuigt zijn invoeging van het koraal
‘So gehst du nun, mein Jesus, hin’ na het berouw van Petrus, waarmee
hij de verdeling van het werk in twee delen legt exact tussen de hoofdstukken
14 en 15 van het Marcusevangelie
Deel twee begint zo in Bach’s versie van dit werk (en ik volg hem daar
graag in!) bij de gebeurtenissen met Pilatus. (In de oorspronkelijke opzet
lag het breekpunt na het koraal ‘0 hilf, Christe, Gottes Sohn’,
midden in de Pilatus-episode dus.)
Enkele wijzigingen mijnerzijds:
Bach’s besluit om het nu kortere eerste deel te besluiten met een koraal
bracht mij op het idee om dan het tweede deel ook weer met een koraal van
Bach te openen omwille van het bereiken van symmetrie. Hiervoor heb ik de
vrijheid genomen de oorspronkelijke sinfonia, een kort instrumentaal stukje,
in te ruilen voor Bach’s prachtige koraal ‘Jesu Leiden, Pein und
Tod’ dat gelukkigerwijs in dezelfde toonsoort, nI. Es-groot, staat als
de sinfonia van Keiser. Ook heb ik me de vrijheid gepermitteerd de twee strofe
‘Jesu, deine Passion’ van dit Bachkoraal ter vervanging van een
aria voor alt op te nemen in dit werk. Ook hier was dit weer goed mogelijk
vanwege de gemeenschappelijke toonsoort Es-groot. Om de voortgang in het verhaal
niet al te veel op te houden heb ik tevens nog twee andere korte sinfonia’s,
louter instrumentale stukken dus, geschrapt. Een en ander is, denk ik, met
de grootste achting voor deze schepping van Keiser, de verhoudingen binnen
dit zeer prachtige werk ten goede gekomen. Overigens was het in de barok een
veel voorkomend gebruik, wanneer men dit nodig achtte, muziek van andere componisten
in te voegen of juist delen weg te laten.
De bezetting
Opvallend is dat Keiser nog kiest (evenals Bach in diens vroege cantates!)
voor de typische 17e eeuwse strijkersbezetting met twee altvioolpartijen.
De combinatie viool 1,2, altviool 1,2 en basso continuo (violoncello, contrabas,
fagot en orgel) geeft een zeer mooie en warme sonoriteit. De hobo is in slechts
een aria solistisch te beluisteren en speelt verder vooral ‘colla parte’
met de sopranen van het koor mee. Op veel plaatsen speelt de eerste viool
een extra bovenstem boven de rest van het stemmenweefsel, waardoor vaak, in
de koordelen althans, de tweede viool net als de hobo ‘colla parte’
met de sopranen van het koor meespeelt. In deze koordelen spelen heel vaak
dan de altviolen 1 en 2 met respectievelijk de alten en tenoren van het koor
mee en de basso continuo groep met de bassen. Opvallend in de vocale bezetting
is dat kleine partijen zoals o.m. Judas en de hogepriester voor alt zijn gecomponeerd.
Eric Koevoets



