VOCAAL ENSEMBLE DISTINTO

27 februari 2011:  Muziek op zondagavond

aanvang 19.30 uur in de Sint Lambertuskerk te Rotterdam-Kralingen.
Inspirerende muziek om het weekend sereen mee af te sluiten.

Jesu, meine Freude van J.S. Bach.
Drie geestelijke madrigalen van J.H. Schein.

Uitvoerenden:
Vocaal Ensemble Distinto o.l.v. Johan Sonneveld
Orgel: Eric Koevoets
Cello: Roosmarij Cooiman

Op vrijdag 12 februari 2010:  Concert in Sint-Lambertuskerk te Rotterdam-Kralingen

Renaissancemuziek voor koor en blokfluit   

Op vrijdag 12 februari a.s. verzorgt Vocaal Ensemble Distinto o.l.v. Eric Koevoets een a capella programma met werken van Da Palestrina, Des Prez en Di Lasso. Dit wordt afgewisseld met blokfluitmuziek uit dezelfde periode door het blokfluittrio ‘Blaes-Tuigh’. Het concert vindt plaats in de Sint Lambertuskerk te Rotterdam-Kralingen.
Een van de belangrijkste componisten voor de katholieke kerk in de 16e eeuw was Giovanni Pierluigi da Palestrina. Hij was, net als twee eeuwen later Bach voor de Barokmuziek, degene die de 16e eeuwse muziekstijl tot een absoluut hoogtepunt leidde. In deze stijl heeft iedere koorstem een eigen melodische lijn, waarbij de stemmen elkaar kunnen imiteren, ritmisch aanvullen of juist contrasteren.
Bij Josquin Des Prez zijn ruim 100 jaar eerder hier al buitengewoon fraaie voorbeelden van te vinden. Oralndo Di Lasso, de beroemde tijdgenoot van Palestrina, legde zich meer toe op motetten dan op missen.
Op het programma staan van De Missa Brevis en het motet Sicut Cervus van Da Palestrina, het motet Precatus est Moyses van De Lasso en Tu solus qui facis mirabilia van Des Prez.
Blokfluittrio ‘Blaes-Tuigh’ is een professioneel ensemble, samengesteld uit Sonja Gruys, Brechtje Roos en Hilde de Wolf. Blaestuigh was vroeger een verzamelnaam voor alle muziekinstrumenten die door middel van de adem tot klank werden gebracht. Hiertoe behoorden ook de blokfluiten. Deze worden in alle soorten en maten door de musici van ‘Blaes-Tuigh’ bespeeld.
De Sint Lambertuskerk aan de Oostzeedijk-Beneden 1-3 te Rotterdam-Kralingen opent haar deuren op vrijdag 12 februari a.s. om 19.30 uur en het concert begint om 20.00 uur. Dit wordt mogelijk gemaakt door de stichting ‘Venster op muziek in de Lambertus’. Alle concerten die zij aanbiedt zijn gratis toegankelijk. Na afloop wordt een collecte gehouden om de kosten te dekken en om de continuïteit van deze concerten te kunnen waarborgen.



Stichting Venster op muziek in de Lambertus presenteerde op 20 februari 2009:

Vocaal Ensemble Distinto

St. Lambertuskerk, Rotterdam Kralingen, Oostzeedijk 3
m.m.v. Michiel Meijer, bariton, Ton Kos, pianist
Dirigent en muzikale leiding: Eric Koevoets.


Met Bruckner en Liszt de passietijd in:

Koor a capella
A. Bruckner        
Locus iste
                       Vexilla regis prodeunt
                       Christus factus est


Ton Kos, vleugel
J. Brahms    
     Intermezzo opus 117 nr. 2 in bes

Koor, Michiel Meijer, Ton Kos
F. Liszt           Via Crucis

Toegang: € 10,00
Kerk open vanaf 19.45 uur
Koffie en thee na afloop van het concert om ca. 21.30 uur
Kaarten te bestellen bij Monique Tonino (zie colofon)

In het programma staat de ‘Via Crucis’ van Liszt centraal. Het is een aangrijpende kruisweg voor koor, bas en piano, die uitgevoerd wordt door Vocaal Ensemble Distinto. Met dit werk zal Distinto voor het eerst in Rotterdam te horen zijn. De Via Crucis is de verklanking door Liszt van de veertien kruiswegstaties die het lijden van Christus tot onderwerp hebben. Het werk kenmerkt zich door soberheid en indringendheid. Qua vormgeving en stijl is het voor de tijd, waarin het werk gecomponeerd is (1878, de romantiek) baanbrekend en onconventioneel. Liszt zocht een weg van verinnerlijking op muzikaal gebied, maar ook in religieus opzicht.
Naast de ‘Via Crucis’ passen de drie grote lijdensmotetten van Anton Bruckner, ‘Christus factus est’, ‘Locus iste’ en ‘Vexilla Regis prodeunt’ zeer goed in dit programma. Ook deze werken worden gekenmerkt door diezelfde verinnerlijking als de ‘Via Crucis’
.

uitgebreide programmatoelichting

Twee componisten in dit programma zijn Anton Bruckner (1824-1896) en Franz Liszt (1811-1886). Twee zeer verschillende persoonlijkheden in een zelfde tijdperk, de Romantiek.
Liszt, van geboorte Hongaar, is een uiterst succesvolle en intellectuele man van de wereld, met een grote literaire kennis en belangstelling. In heel veel muziek van hem is die literaire belangstelling evident en wordt ze tot een bepalend element in zijn werk.
Bruckner daarentegen, is een eenvoudige Oostenrijker, afkomstig uit Ansfelden, een dorpje in de buurt van Linz, wiens monumentale symfonieën jarenlang onderwerp van scherpe kritiek waren en pas heel laat tijdens zijn leven enige erkenning kregen.

Over Bruckner Hoewel het symfonische oeuvre van Bruckner geldt als absolute muziek met een uiterst hechte architectuur, zonder verdere bewust aangebrachte buitenmuzikale noties, wordt vaak zijn werk door veel luisteraars en commentatoren in verband gebracht met een diep religieus besef en een dienovereenkomstige beleving van de natuur. Als Oostenrijker, opgegroeid tussen de bergen, componeert hij in zijn symfonieën vergezichten waarin, aldus velen, het ruige en monumentale van de bergen gecombineerd wordt met veel lyrische, zangrijke momenten die dan doen denken aan het lieflijke van het landschap. Het is dan ook muziek van grote, abrupte contrasten. Kenmerkend voor hem is dat hij zijn Negende Symfonie in d (de laatste) opdraagt aan ‘dem lieben Gott’. Zonder te willen doen aan inlegkunde, mag, denk ik, toch wel gezegd worden dat in zijn muziek een sens du mystère, oprecht en spontaan, te voelen is. Naast die negen grote symfonieën componeerde Bruckner ook veel kerkmuziek.
Dat is niet verwonderlijk omdat hij al jong met de liturgie en muziek van de R.K.Kerk vertrouwd was. Hij was een zeer groot en beroemd organist en bekleedde functies in Sankt Florian en aan de Kathedraal van Linz. De monumentaliteit van deze grote kerken en hun dienovereenkomstige akoestische werking zullen hem zeker hebben geïnspireerd. De contrastwerking tussen monumentaliteit en verstilling, zoals hier al met betrekking tot zijn symfonisch oeuvre beschreven, kom je ook overal in zijn kerkmuzikale werk tegen. Grote vervoering en stille devotie. Voor het Feest van Kerkwijding schreef hij in 1868 Locus iste. Opvallend is dat in het beginthema melodische verwantschap te bespeuren is met het ‘pelgrimsthema’ uit de operaTannhaüser van Wagner (Bruckner bewonderde hem zeer). Typerend voor de componist zijn de plechtige stijgende exclamaties op ‘in aestimabile sacramentum’. Het tweede motet, Vexilla regis uit 1892, is gecomponeerd voor de liturgie van Goede Vrijdag. U hoort in dit stuk drie strofen van deze hymne, telkens gezet op de zelfde muziek waarin ver van elkaar gelegen toonsoorten elkaar zeer mooi opvolgen. Als derde motet hoort u het Christus factus est uit 1885. Deze tekst behoort tot de liturgie van Palmzondag en Witte Donderdag. Bijzonder mooi is hoe in het begin, waarin gezongen wordt over Christus’ gehoorzaamheid (‘obediens’) tot aan de dood aan het kruis, vooral dalende tendensen in de muziek te horen zijn. Het werk heeft als hoofdtoonsoort d-mineur. Daarom is het zo indringend dat bij ‘mortem autem crucis’ (de dood aan het kruis) de muziek moduleert naar Des-groot, een heel verafgelegen toonsoort. Het is een moment van stille eerbied. Vanaf ‘propter quod et Deus’ wordt bezongen in plechtige exclamaties (zoals hierboven al beschreven bij Locus iste) dat Christus door God wordt verheven. Vanaf dat moment overheersen stijgende tendensen in de muziek. Hóe verheven de naam van Christus boven alle andere namen is laat Bruckner horen in de uitvoerige uitwerking, polyfoon en homofoon, verstild en groots, van de zinsnede ‘quod est super omne nomen’. Over Liszt Naast de drie Brucknermotetten staat een werk geprogrammeerd dat qua vormgeving en stijl zeer onconventioneel en baanbrekend genoemd mag worden: Via Crucis (Kruisweg) van Liszt. Liszt, in zijn tijd bij het grote publiek beroemd als geniaal pianist en componist van grootse, virtuoze muziek, was op zoek naar nieuwe muzikale wegen, waarbij hij vooral in zijn latere jaren in zijn composities een steeds grotere soberheid nastreefde. Het was een weg van verinnerlijking, op muzikaal gebied, maar ook in religieus opzicht. Deze man die heel muzikaal Europa aan zijn voeten kreeg en een zeer tot de verbeelding sprekend leven leidde, ontving in zijn latere jaren de lagere wijdingen van de R.K. Kerk en werd Abbé genoemd.
In deze context past ook de Via Crucis. Al in de zestiger jaren van de 19e eeuw liep hij rond met de plannen voor het componeren van een muzikale Kruisweg. Uiteindelijk duurde het tot het najaar van 1878 eer hij kwam tot de realisatie ervan. Van dit werk zijn vier verschillende versies in omloop:
1. vocaal: koor, met soli, orgel (harmonium) of piano
2. orgelsolo
3. pianosolo
4. piano vierhandig
Uiteraard hoort u vanavond, de eerste, vocale versie, waarbij gekozen is voor de piano als begeleidend instrument. Een aantal delen zijn overigens voor pianosolo.
Liszt baseert zich op de Kruisweg zoals deze in de R.K. Kerk op Goede Vrijdag wordt gehouden. In de Kruisweg trekken de gelovigen langs de veertien kruiswegstaties die langs de muren van hun kerk zijn afgebeeld, bijvoorbeeld in schilderijen of houtsnijwerk. Bij elke statie wordt gebeden, gemediteerd en gezongen. Liszt volgt in zijn compositie nauwgezet het verloop van de veertien staties en laat de veertien delen voorafgaan door een proloog.
Voor wat betreft de tekstkeuze bedient de componist zich van diverse bronnen, nl. twee Latijnse hymnen en twee Duitse kerkliederen. Hij gebruikt van deze gezangen niet alleen de tekst maar ook de melodie. Het Vexilla Regis is van Venantius Fortunatis (+ 530-609), het Stabat Mater wordt toegeschreven aan Jacopone da Todi (+ 1228-1306). De tekst van O Haupt voll Blut und Wunden is van de hand van Paul Gerhardt (1607-1676) naar een latijnse hymne van Arnulf von Löwen (+ 1200-1250) en is gezet op een melodie van Hans Leo Hassler (1564-1612). De dichter van O Traurigkeit, o Herzeleid is Friedrich Spee (1591-1635). De melodie van dit lied verscheen voor het eerst in 1628 in Mainz. Naast deze gezangen horen we in meerdere staties diverse bijbelcitaten, bijvoorbeeld in de 12 statie (Jezus sterft aan het kruis): Consummatum est (Het is volbracht). Zoals gezegd is het werk in muzikaal opzicht baanbrekend. Liszt was met dit werk zijn tijd zo’n dertig, veertig jaar vooruit. Veel componisten uit de 19e eeuw zochten naar een manier om de grenzen van de tonaliteit te verleggen. Eenvoudig gezegd, in alle muziek tot dan toe stond steeds een toon als basis en centraal punt van een toonsoort centraal. Binnen een compositie die ook altijd een bepaald hoofdtoonsoort heeft wordt afgewisseld met andere toonsoorten, maar de hoofdtoonsoort heeft altijd het overwicht met daarbinnen een grondtoon als basis en centrum. In de loop van de 19e eeuw zocht men, Wagner, de schoonzoon van Liszt voorop, naar manieren om van die veilige basis weg te komen. De muziek werd vaak steeds chromatischer, waardoor steeds minder duidelijk werd wat en waar de basis was. In Liszt’s Via Crucis is dit ook het geval, zelfs zo dat deze muziek naast raakvlakken met Wagner (in het bijzonder diens opera Parsifal) vooruitwijst naar waar de hierboven geschetste ontwikkeling op zal uitlopen: de twaalftoonsmuziek zoals geïnitieerd door de Weense componist Arnold Schönberg (1874-1951). In deze twaalftoonsmuziek is er geen centrale toon meer, maar zijn alle twaalf tonen binnen het octaaf even belangrijk. Dit verleent de muziek een zwevend gevoel, zoals de Nederlandse dirigent en pianist Reinbert de Leeuw in een interview het mooi formuleert: “…er werd een niemandsland ontgonnen waarin noten een nieuwe verhouding met elkaar kunnen aangaan.”
Dit ‘niemandsland’ is al vaak voelbaar en hoorbaar in de muziek van de Via Crucis. Naast meer traditioneel klinkende delen is er vaak in harmonisch en melodisch opzicht veel te beluisteren wat vervreemdend en zoekend klinkt, zonder een oplossing te vinden, in dit geval ook passend bij de uitzichtloosheid van de kruisweg die Jezus moest ondergaan. Zoals gezegd, Liszt was zijn tijd ver vooruit met dit werk. Men dacht dat hij gek was geworden en de uitgever weigerde het werk in zijn fonds op te nemen. Het paste ook niet bij het imago van de componist die zoveel overweldigende muziek op zijn naam had staan. De Via Crucis is sober, ontdaan van alle uiterlijkheden en maant tot inkeer en concentratie.
Heden ten dage mag het werk zich verheugen in een groeiende belangstelling. Tussen de composities van Bruckner en Liszt staat geprogrammeerd het Intermezzo in bes mineur opus 117, nr. 2 van Johannes Brahms (1833-1897) voor piano. Het is een lyrisch, melancholiek stuk, gecomponeerd in 1892, het zelfde jaar waarin Bruckner het Vexilla regis componeerde. Eric Koevoets




BESCHRIJVING

Vocaal Ensemble Distinto is een projectkoor onder leiding van Eric Koevoets. Het koor is in 2002 opgericht voor het eerste project: het eindexamen koordirectie van Eric Koevoets.
Het koor werkt op projectbasis. Dit betekent dat voor elk concert zangers worden uitgenodigd, waarna in gemiddeld 8 à 9 repetities het concert wordt voorbereid. Op deze repetities is grote aandacht voor uitvoeringspraktijk, voordracht en techniek. Het instuderen van de noten is door de zangers zelf al gedaan. Het koor kent een vaste kern van ca 15 zangers. De gemiddelde bezetting per project is ongeveer 22 zangers.
De organisatie van de projecten is in handen van de Stichting Vocaal Ensemble Distinto te Dordrecht. Meer informatie bij Monique Tonino, voorzitter van deze stichting. Zie colofon rechtsboven.





ARCHIEF

De voorgaande projecten van Vocaal Ensemble Distinto hebben geleid tot cd-opname voor eigen gebruik.
Teksten en toelichtingen zijn op deze site te lezen.
Heeft u vragen of wilt u een kopie van een opname, richt u zich dan tot Monique Tonino - zie het colofon.


Reeds uitgevoerde projecten  (op twee projectnamen kunt u kikken voor toegang

  17 maart 2006  St. Antoniuskerk Dordrecht


Weinachts Oratorium van J.S. Bach, 3 december 2004 St. Antoniuskerk Dordrecht
Uitgevoerd zijn de cantates 1, 2, 3 en 6
'Als de ziele luistert' 13 maart 2004 St. Antoniuskerk Dordrecht
m.m.v.
Nelleke Duiser, alt
Anton Doornhein, orgel
Programma:
Toccata Hendrik Andriessen (1892-1981)
Super Omnia, alt, koor en orgel Albert de Klerk (1917-1998)
* Super omnia
* Quia tu, Domine Deus meus
* Atque ideo
* O mi dilectissime Iesu Christe
* Quid habet ultra

'Die Nacht ist kommen' 28 juni 2003 St. Antoniuskerk Dordrecht
m.m.v. Nelleke Duiser, alt
Johan Sonneveld, orgel
Melinda Miguel Andres, violoncello
Programma:
Herr, auf dich traue ich SWV 377 Heinrich Schütz (1585-1672)
Motet: Jesu meine Freude BWV 227 Johann Sebastian Bach (1685-1750)
Praeludium et Fuga C-dur BWV 547, orgel Johann Sebastian Bach
Mitten wir im Leben sind. Op. 23.3 Felix Mendelssohn-Bartholdy (1809-1847)
Introduktion und Passacaglia d-moll, orgel Max Reger (1873-1916)
Gebet, alt en orgel Hugo Wolf (1860-1902)/ Max Reger
Trauergesang. Op. 116 Felix Mendelssohn-Bartholdy
Abendlied. Op. 69.3 Joseph Rheinberger (1839-1901)
Nachtlied. Op. 138.3 Max Reger









Matthäus Passion van Joh.Seb. Bach   17 maart 2006  St. Antoniuskerk Dordrecht

Solisten:

Jan van Elsacker, evangelist
Henk Neven, Christuspartij
Jenny Haisma, sopraan
Mieke van Laren, alt
Arco Mandemaker, tenor
Michiel Meijer, bas

Jeugdkoor Young Voices o.l.v. Wiecher Mandemaker
Randstedelijk Begeleidingsorkest

Toegang: € 24,00
Voorverkoop, CJP, Pas 65+: € 20,00
Jongerenkaartjes (tot 20 jaar) € 5,00 (maximaal 100 kaartjes beschikbaar)
CKV-project: tegen 1 CKV-bon zijn jongeren welkom op de generale repetitie, donderdag 16 maart 19.30 uur, om het eerste deel in de kerk te beluisteren en krijgen na de pauze in een zaal uitleg met muziekfragmenten over de verschillen in uitvoering door verschillende dirigenten van dit werk. Reserveringen:
Monique Tonino, zie colofon in de linkermarge.

RECENSIE

Een evenwichtige Mattheus met dramatische accenten

AD De Dordtenaar  maandag 20 maart 2006

Ger van der Tang
Dordrecht

Wat een onvoorstelbaar rijk werk. Die gedachte zal bij velen zijn opgekomen die in de St. Antoniuskerk de uitvoering hebben bijgewoond van Bachs Mattheus Passion door Vocaal Ensemble Distinto, het Interkerkelijk Jeugdkoor Young Voices, RBO Sinfonia en een zestal solisten.
Onder leiding van Eric Koevoets, die zijn eerste ‘Mattheus’ dirigeerde, kwamen vrijdagavond alle facetten van dit magistrale werk - de diepe religiositeit, de schoonheid van de muziek, maar ook de dramatiek - tot hun recht.
Koevoets’ directie straalt rust uit en streven naar evenwicht. Maar met aandacht voor de spanningsmomenten in de partituur. Een voorbeeld zijn de passages waarin Christus door de evangelist ten tonele wordt gevoerd. Zo ook het recitatief in nr. 18, dat eindigt met ‘Da sprach Jezus zu ihnen’. Even is het volkomen stil. En dan komt het: de ontroerende, door een geladen strijkers-continuo gesteunde frase ‘Meine Seele ist betrübt bis an den tod’. Een beklemmend, fascinerend effect.
Ook voor Distinto was het de eerste Mattheus. Versterkt met een twintigtal gastzangers en in enkele koren bijgestaan door een alert zingend Young Voices kwam het ensemble tot een prima prestatie.
Opvallend was de felle, maar gecontroleerde dynamiek in dramatische scènes zoals Jezus’ proces (‘Er ist des Todes schuldig!’ en ‘Weissage uns Christus’). In het openingskoor waren de topnoten bij de sopranen nogal onscherp, maar gaandeweg verdween dit euvel. Het slotkoor ‘Wir setzen uns mit Tränen nieder’ was meer dan prachtig.
Dan de solisten. Jan van Elsacker was als de evangelist een ideale verteller van het lijdensverhaal. Hoogst muzikaal en expressief, maar nergens gechargeerd. En perfect verstaanbaar tot in de uithoeken van de kerk.
De sopraan Jenny Haisma kende wat intonatieproblemen, maar liet een mooi lyrisch, door fluit en hobo schitterend begeleid ‘Aus Liebe’ horen.
Naast haar de mezzo Mieke van Laren, die excelleerde met een ontroerend, naturel gezongen ‘Erbarme dich’ en met een sterk recitatief ‘Ach Golgotha, unsel’ges Golgotha!’.
De jonge bariton Henk Neven was een vocaal en qua présence indrukwekkende Christus. Ook de bas Michiel Meijer kweet zich in zijn aria’s en in de rollen van Petrus, Kaiphas en Pontius Pilatus voortreffelijk van zijn taak, al was de passage naar het hoge register niet steeds vlekkeloos. En Arco Mademaker tekende voor krachtige, én welluidende zang in de tenoraria’s.
Voortreffelijk was het aandeel van Johan Sonneveld op orgel-continuo. En dat van RBO Sinfonia, voorheen het Randstedelijk Begeleidings Orkest, waaruit tal van fraaie soli opklonken, zoals van de viola da gamba-speler Johannes Boer in de tenor-aria ‘Mein Jesus schweigt’.
Koevoets en Distinto kunnen terugzien op een waardig Mattheus-debuut.

 





zaterdag 29 juni 2002

in het kader van het
EINDEXAMEN KOORDIRECTIE

Eric Koevoets
Rotterdams Conservatorium





met medewerking van
Arco Mandemaker, tenor,
Henk Neven, bas
Johan Sonneveld, orgel
Instrumentaal Ensemble

Programma:

 
Uit: Missa ‘Aeterna Christi munera'
Giovanni Pierluigi da Palestrina (1525-1594)
• Kyrie
• Gloria

 
Cantate ‘Aus der Tiefen rufe ich, Herr, zu dir' BWV 131 Johann Sebastian Bach (1685-1750)

Orgelsolo:
 
‘Von Gott will ich nicht lassen' BWV 658 Johann Sebastian Bach
(uit ‘18 Leipziger Choräle')

 
Der Dreiundvierzigste Psalm ‘Richte mich, Gott' Felix Mendelssohn-Bartholdy (1809-1847)
opus 78.2

 
Quatre motets sur des thèmes grégoriens Maurice Duruflé (1902-1986)
opus 10
 
• Ubi caritas
• Tota pulchra es
• Tu es Petrus
• Tantum ergo

 
Psaume 121 ‘Je lève mes yeux sur les montagnes'

Daan Manneke (geb. 1939)
Medewerkenden:  
Arco Mandemaker, tenor
Henk Neven, bas
Johan Sonneveld, orgel

 
Toelichting op het programma:

 
In dit programma zijn twee muzikale lijnen te volgen. De eerste bestaat uit composities die gerelateerd aan het gregoriaans zijn (Da Palestrina, Duruflé, Manneke), de tweede betreft een aantal zettingen van Psalmen (Bach, Mendelssohn, Manneke).

De Missa ‘Aeterna Christi munera' van Da Palestrina is afkomstig uit diens ‘Missarum liber quintus', het ‘vijfde boek met missen', dat in 1590 te Rome in druk verscheen. De componist droeg dit boek op aan de kunstlievende hertog van Beieren, Wilhelm V, bij wie overigens een beroemde tijdgenoot van Da Palestrina, nl. Orlando di Lasso, in dienst was.
De Missa ‘Aeterna Christi munera' is gebouwd op elementen uit de melodie van de gelijknamige gregoriaanse hymne. Van deze hymne, die werd gezongen tijdens de metten, bestaat zowel een versie ter ere van de apostelen alsook een ter ere van de martelaren:

  Laten wij de eeuwige genadegaven van Christus
  en de overwinningen der martelaren
  de verschuldigde lof brengen
  en met een blij gemoed bezingen.

Deze mis is een goed voorbeeld van de stijl van Da Palestrina: een polyfone uitwerking van de thematiek met veelvuldige imitaties. Soms is er terwille van een duidelijke tekstdeclamatie sprake van een kortstondige homofone zetting (o.a. ‘Laudamus te', ‘Qui tollis' en ‘Tu solus Altissimus'), maar ook in de polyfone passages is de tekst goed te volgen. De melodiestructuur is zeer vloeiend te noemen en is voornamelijk secundegewijs opgebouwd.
 is elders op deze pagina te vinden.

Bachs Cantate ‘Aus der Tiefen rufe ich, Herr, zu dir' BWV 131 behoort tot zijn vroegste composities in dit genre. Het werk ontstond in de periode 1707-1708 te Mühlhausen, toen Bach als organist van de Blasiuskirche aldaar werkzaam was. Het ontstaan van deze cantate is mogelijk in verband te brengen met een boetedienst welke gehouden werd naar aanleiding van een catastrofale stadsbrand op 30 mei 1707 waarbij 360 huizen in de nabijheid van de Blasiuskirche werden verwoest.
De opdracht voor deze compositie kreeg Bach evenwel niet van de dominee van de Blasiuskirche, Johann Adolph Frohne, maar van Georg Christian Eilmar (1665 - 1715), de dominee van de Marienkirche, met wie Bach bevriend was. Bach schrijft dan ook aan het eind van de partituur: ‘Auff begehren Tit: Herrn D: Georg: Christ: Eilmars in die Music gebracht'. Het werk is een volledige zetting van Psalm 130 en is een treffend voorbeeld van hoe de cantates van de jonge Bach, gecomponeerd nog vóór zijn jaren te Weimar, zijn opgebouwd:
• een voorkeur voor een symmetrische opbouw;
• de tekst is gebaseerd op een al bestaande tekst van bijbelse oorsprong of een lied;
• het toevoegen van een of meerdere liedstrofen als een soort theologisch commentaar op de ‘hoofd'tekst.

De symmetrie in deze cantate, die bestaat uit vijf delen, is als volgt tot stand gekomen:

1  koor      2  aria      3  koor      4  aria      5  koor

De tekst is zoals gezegd Psalm 130, een boetepsalm (‘Uit afgronden roep ik u, Heer'). Aan deze tekst voegt Bach twee strofen toe uit het 8-strofige lied ‘Herr Jesu Christ, du höchstes Gut' (1588) van Bartholomäus Ringwald (1530 - 1599). In de basaria, deel 2 van de cantate, betreft het de tweede strofe van Ringwalds lied, gezongen door de sopranen van het koor; in de tenoraria, deel 4 van de cantate, horen we dan de vijfde strofe, nu gezongen door de alten van het koor. Dit lied van Ringwald is een gedicht dat hij maakte naar aanleiding van Psalm 51, eveneens een boetepsalm (‘Wees mij, God, in uw goedheid genadig') en sluit derhalve aan bij Psalm 130. Door het toevoegen van deze strofen aan de aria's ontstaat niet alleen een boeiende gelaagdheid, maar wordt, daar het hier juist de even delen van de cantate betreft, de symmetrische opbouw nog verder verstevigd.
Bachs vroegste cantates zijn dus gebaseerd op een bijbeltekst of op een lied, dat dan per omnes versus (zoals in ‘Christ lag in Todesbanden' BWV 4) werd getoonzet, of op een combinatie van bijbel- en liedtekst, zoals in de cantate van vanavond. Bach sluit hiermee aan bij cantates uit de 17e eeuw, van o.a. Dietrich Buxtehude en Nicolaus Bruhns. De invloed van Erdmann Neumeister (1671 - 1756), die in 1700 begon met het dichten van vrije poëzie ten behoeve van een nieuw soort kerkcantate met recitatieven en aria's (naar het voorbeeld van de opera), is in Bachs vroege cantates nog volledig afwezig. Pas te Weimar zal Bach overgaan op dit nieuwe type cantate en het, met gebruikmaking van poëzie van diverse dichters, tot grote bloei brengen.
Ook het klankbeeld past in de traditie van de 17e eeuw. In de strijkersbezetting volgt Bach nog de oude gewoonte om twéé altvioolpartijen te componeren. In combinatie met de hobo (die Bach hier koos in plaats van een vaak voorkomende tweede viool) en de basso continuo groep (fagot, violoncello en orgel) ontstaat een sonoor klinkend vijfstemmig instrumentaal ensemble.
Ik kom nog even terug op de symmetrische opbouw. De koordelen vertonen ook symmetrie want zijn elk tweedelig en beginnen steeds met een soort inleiding gevolgd door een gedeelte dat polyfoon gecomponeerd is (in het laatste deel een fuga op ‘Und er wird Israel'). De aandachtige luisteraar kan ervaren dat diverse motieven in meerdere delen terugkeren. De afwisseling van polyfone delen met meer vrije, quasi improvisatorische momenten (zoals het begin van deel 3 en 5), gevat in de spanningsboog van een indrukwekkende symmetrische architectuur doet denken aan de structuur van de grote praeludiae en toccata's voor orgel van de Noordduitse meesters zoals o.a. Dietrich Buxtehude, Nicolaus Bruhns, Johann Adam Reinken en Vincent Lübeck.
 is ook op deze pagina te vinden.

Als intermezzo klinkt een orgelwerk van Bach. Het betreft hier ‘Von Gott will ich nicht lassen' BWV 658, afkomstig uit de '18 Leipziger Choräle', een reeks rijk uitgewerkte koraalvoorspelen. Het lied waarop deze koraalbewerking is gebaseerd is van Ludwig Helmbold (1532 - 1598). Hij dichtte dit lied tijdens een pestepidemie in 1563 te Erfurt. Het is een aardig toeval dat hij geboren is in de hierboven al genoemde stad Mühlhausen en er later, na zijn jaren als hoogleraar filosofie aan de universiteit van Erfurt, weer terugkeerde als predikant aan de Marienkirche en dus een van de voorgangers was van Georg Christian Eilmar, van wie Bach zijn opdracht voor de Cantate ‘Aus der Tiefen rufe ich, Herr, zu dir' BWV 131 kreeg. De tekst van het lied van Helmbold luidt:

Von Gott will ich nicht lassen,
denn er läßt nicht von mir,
führt mich auf rechter Straßen,
sonst ging ich in der Irr.
Er reicht mir seine Hand;
den Abend und den Morgen
tut er mich wohl versorgen,
wo ich auch sei im Land.

Tegen een verfijnd en expressief driestemmig polyfoon spel klinkt de koraalmelodie met een uitkomend register in de tenor van het in totaal vierstemmige stemmenweefsel, uitgevoerd op het pedaalklavier.

Op 22 november 1842 werd Mendelssohn benoemd tot General Musik Direktor aan de Hof- en Domkerk te Berlijn. Dit gebeurde geheel volgens de wens van Koning Friedrich Wilhelm IV, die kort daarvoor de troon had bestegen en zich beijverde van Berlijn een vooraanstaande cultuurmetropool te maken. Het is gezien Mendelssohns opvattingen over kerkmuziek wat bevreemdend dat hij deze eervolle functie aanvaardde. In 1835 schreef hij immers aan een predikant te Leipzig: "Een werkelijke kerkmuziek, dat wil zeggen voor de evangelische eredienst, welke haar plaats zou innemen bij kerkelijke feesten, schijnt mij een onmogelijkheid. Niet alleen omdat ik niet zie, waar de muziek in de liturgie aangebracht zou moeten worden, maar omdat ik mij in het geheel geen plaats daarvoor kan indenken." Vermoedelijk was het vooruitzicht om met het speciaal voor hem opgerichte eerste klas gezelschap van professionele zangers en instrumentalisten te kunnen gaan werken dermate aantrekkelijk dat hij over zijn vroegere bezwaren heen stapte. Voor zijn nieuwe koor componeerde hij in de jaren 1843-1844 ‘Drei Psalmen für achtstimmigen Chor opus 78' (a cap.) waarvan de nu te beluisteren Psalm 43 ‘Richte mich, Gott' het tweede stuk is. In deze overwegend homofone compositie horen we een rijk klinkende dubbelkorigheid tussen de mannen- en vrouwenstemmen.
Opvallend zijn de vele eenstemmige frasen, uitgevoerd door de mannenstemmen, welke beantwoord worden door de vrouwenstemmen. De muziek kleurt mee met de inhoud van de tekst, geleidelijk van donker naar licht. Na de indringende beden van het begin klinkt het ‘Sende dein Licht' hartverwarmend en hoopvol in sonore accoordformaties. Buitengewoon troostrijk is ook de passage ‘Was betrübst du dich meine Seele'. Hier gaat de muziek over van d-moll naar D-dur en besluit vol vertrouwen met ‘Harre auf Gott !'
 is ook op deze pagina te vinden.

Rond het midden van de 19e eeuw begonnen de Benedictijnen van Solesmes zich met grote ijver in te zetten voor het herstel en hernieuwde opbloei van het gregoriaans dat in de loop der eeuwen geleidelijk aan danig in verval was geraakt. Op wetenschappelijk niveau werden de oorspronkelijke handschriften bestudeerd op basis waarvan nieuwe uitgaven van gregoriaanse zangboeken (zoals het Graduale Romanum) werden gepubliceerd. De encycliek ‘Motu Proprio' uit 1903 van Paus Pius X noemde het gregoriaans (en de polyfonie van Da Palestrina) de belangrijkste kerkmuziek van de R.K. Kerk. Het gregoriaans maakte door dit geschrift en de inspanningen van de monniken van Solesmes enorme opgang. De schoonheid van de gerestaureerde oude gezangen maakte op velen grote indruk. Het vrije ritme en de oude kerktoonsoorten waren vooral voor de Frans georiënteerde componisten met hun gevoeligheid voor harmonische kleurenpracht en souplesse aantrekkelijk. In Parijs baseerden vele componisten zoals Charles Tournemire, Jean Langlais, Marcel Dupré, Jeanne Demessieux en vele anderen hun orgelwerken op deze gregoriaanse gezangen. In deze traditie staat ook Maurice Duruflé, getuige zijn ‘Prélude, Adagio et Choral varié sur le thème du "Veni Creator" opus 4' voor orgel, en voor koor met orkest of orgel, het ‘Requiem opus 9' en de ‘Messe "Cum Iubilo" opus 11'. In deze geest ontstonden in 1960 zijn ‘Quatre motets sur des thPmes grégoriens opus 10' voor koor a capella. Het zijn vier korte composities, vervuld van een groot harmonisch en ritmisch raffinement en volmaakt van vorm. Elke motet heeft zijn eigen karakter: ‘Ubi caritas' kenmerkt zich door een rustig vloeiende beweging in homofone, harmonisch kleurrijke, lyriek; ‘Tota pulchra es', is voor vrouwenkoor en ademt een lichte, elegante en sprankelende sfeer; ‘Tu es Petrus' is van een aanstekelijk feestelijk enthousiasme en kenmerkt zich door imitaties door de diverse stemmen heen; ‘Tantum ergo' heeft een doorzichtig, polyfoon klankbeeld waarin het gregoriaanse thema behandeld wordt in een ritmisch vrije canon in het octaaf tussen de sopranen en de tenoren.

Daan Manneke, geboren in 1939 te Kruiningen in Zeeland, studeerde compositie bij Jan van Dijk en Ton de Leeuw. Tevens volgde hij bij Olivier Messiaen verschillende lessen. Hij behoort tot de toonaangevende componisten van ons land. Manneke voelt zich erg aangetrokken tot de vocale muziek en liet vele composities zowel voor solozang alsook voor koor het licht zien. Hij kiest graag zijn teksten uit het Oude Testament (o.a. Psalmen, Hooglied en Job), maar ook Franse poëzie van Villon, Verlaine en Rimbaud vormt voor Manneke een inspiratiebron. Belangrijke koorwerken van hem zijn o.a. ‘Le Pavillon' (1987), en ‘Plenum' (1989) In zijn muziek ervaren we niet alleen de 20e eeuw maar zijn veel elementen uit de ‘oude muziek', waaronder de middeleeuwse primitieve meerstemmigheid met zijn parallellum organum, eveneens een bron van inspiratie. Dit laatste kunnen we horen in Psaume 121 ‘Je lève mes yeux sur les montagnes', een van zijn vroege composities, ontstaan in 1962. In de samenklank immers, maakt hij overvloedig gebruik van parallelle quinten, o.a. aan het einde in ‘et toujours et pour les siècles des siècles.' De melodische lijnen ademen een sterk modale sfeer en doen erg denken aan het gregoriaans. Zodoende vormt dit werk als laatste onderdeel van dit concert een mooie combinatie van de beide muzikale lijnen in dit programma: muziek gerelateerd aan het gregoriaans en psalmen in diverse toonzettingen.

Eric Koevoets

BRONNEN

• A Survey of Choral Music,   Homer Ulrich
• Voorwoord partituur Missa ‘Aeterna Christi munera'    Rudolph Ewerhart
• Die Kantaten von Johann Sebastian Bach   Alfred Dürr
• De wereld van de Bach cantates (deel 1, Geestelijke cantates van Arnstadt tot Köthen)
   Christoph Wolff (red.)
• Compendium bij de Gezangen uit het Liedboek voor de Kerken
• Toelichting bij ‘Denn er hat seinen Engel beföhlen über dir' van Mendelssohn (Cantatedienst Laurenskerk Rotterdam, 17 februari 2002)   Barend Schuurman
• Mendelssohn Geistliche Musik (cd toelichting)   Roman Hinke
• Daan Manneke Plenum - ‘Zingen als God in Frankrijk ?'   Jurjen Vis (cd toelichting)
• Orgelwerken van Daan Manneke (Gregoriusblad maart 2001)    Heino Vergouwen


TEKSTEN

 
Kyrie en Gloria uit Missa ‘Aeterna Christi munera'
Kyrie eleison
Christe eleison
Kyrie eleison

Gloria in excelsis Deo
et in terra pax,
hominibus bonae voluntatis.
Laudamus te. Benedicimus te.
Adoramus te. Glorificamus te.
Gratias agimus tibi
propter magnam gloriam tuam.
Domine Deus, rex caelestis,
Deus Pater omnipotens,
Domine Fili unigenite, Iesu Christe
Domine Deus, Agnus Dei, Filius Patris
qui tollis peccata mundi,
miserere nobis
qui tollis peccata mundi,
suscipe deprecationem nostram.
Qui sedes ad dexteram Patris,
miserere nobis.
Quoniam tu solus Sanctus,
Tu solus Dominus,
Tu solus Altissimus, Iesu Christe,
cum Sancto Spiritu
in gloria Dei Patris.
Amen


Heer, ontferm U
Christus, ontferm U
Heer, ontferm U

Eer aan God in den hoge
en vrede op aarde
aan de mensen die Hij liefheeft.
Wij loven U. Wij prijzen U.
Wij aanbidden U. Wij verheerlijken U.
Wij zeggen U dank voor Uw
grote heerlijkheid.
Heer, God, hemelse koning,
God, almachtige Vader,
Heer, eniggeboren Zoon, Jezus Christus
Heer God, Lam Gods, Zoon van de Vader,
Gij die wegneemt de zonden der wereld,
ontferm U over ons.
Gij die wegneemt de zonden der wereld,
aanvaard ons gebed.
Gij die zit aan de rechterhand van de Vader,
ontferm U over ons.
Want Gij alleen zijt de Heilige,
Gij alleen de Heer,
Gij alleen de allerhoogste, Jezus Christus,
met de Heilige Geest
in de heerlijkheid van God de Vader.
Amen

Cantate ‘Aus der tiefen rufe ich, Herr, zu dir'  BWV 131

Tekst:
Psalm 130 (Ned. vertaling: I. Gerhardt, M. van der Zeyde)
In deel II en IV klinkt naast de psalmtekst een strofe uit het koraal ‘Herr Jesu Christ, du höchstes Gut' (vers 2 en 5) van Bartholomäus Ringwald (1530-1599)

I   Sinfonia + koor

 
Aus der Tiefen rufe ich, Herr, zu dir.
Herr, höre meine Stimme,
laß deine Ohren merken
auf die Stimme meines Flehens!

Uit afgronden roep ik u, Heer;
hoor mij, Heer, ik blijf vragen.
O, mocht uw oor het verstaan
hoe ik schrei om erbarmen.

II   Bassolo + Choral (sopranen)

 
So du willst, Herr, Sünden zurechnen, Herr,
wer wird bestehen?
Denn bei dir ist die Vergebung,
daß man dich fürchte.

Onthield gij de schulden, o God,
wie hield stand in uw oordeel?
Doch vergeving is er bij u,
want zó wilt ge gevreesd zijn.

Erbarm dich mein in solcher Last
Nimm sie aus meinem Herzen,
Dieweil du sie gebüßet hast
Am Holz mit Todesschmerzen,
Auf daß ich nicht mit großem Weh
In meinen Sünden untergeh,
Noch ewiglich verzage.

III   Koor

 
Ich harre des Herrn,
meine Seele harret,
und ich hoffe auf sein Wort.

Ik wacht de Heer,
ik wacht hèm,
ik hoop op zijn belofte:

IV   Tenorsolo + Choral (alten)

 
Meine Seele wartet auf den Herrn
von einer Morgenwache
bis zu der andern.

stil verbeid ik de Heer,
meer dan wachters de morgen,
zij die wachten de morgen.

Und weil ich denn in meinem Sinn,
Wie ich zuvor geklaget,
Auch ein betrübter Sünder bin,
den sein Gewissen naget,
Und wollte gern im Blute dein
Von Sünden abgewaschen sein
Wie David und Manasse.

V   Koor

 
Israel hoffe auf den Herrn;
denn bei dem Herrn ist die Gnade
und viel Erlösung bei ihm.
Und er wird Israel erlösen
aus allen seinen Sünden.

Dat Israël wachte de Heer;
want bij de Heer is genade,
kwijtschelding bij hem menigvuldig.
Hij is het die Israël kwijtscheldt
al wat het aan schuld heeft.
Der Dreiundvierzigste Psalm ‘Richte mich, Gott'  opus 78.2

Richte mich, Gott,
und führe meine Sache
wider das unheilige Volk
und errette mich
von den falschen und bösen Leuten.

Doe Gij, o God, mij recht,
beslecht het pleit voor mij
tegen dit ontrouw volk;
verlos mij van de mens
die liegt en die verraadt,

Denn du bist der Gott,
meiner Stärke,
warum verstössest du mich?
Warum lässest du mich so traurig gehn,
wenn mein Feind mich drängt?
Sende dein licht
und deine Wahrheit,
dass sie mich leiten
zu deinem heiligen Berge,
und zu deiner Wohnung.

Dass ich hineingehe
zum Altar Gottes, zu dem Gott
und dir, Gott, auf der Harfe
danke, mein Gott.

Was betrübst du dich meine Seele,
und bist so unruhig in mir?
Harre auf Gott!
denn ich werde ihm noch danken,
dass er meines Angesichts Hülfe
und mein Gott ist.


Gij, God,
mijn toevlucht ééns,
waarom verstoot gij mij?
Waarom ga ik in rouw
en heeft mijn vijand macht?
úw waarheid zend,
úw licht,
en zíj gaan voor mij uit,
geleiden mij naar ginds,
uw heilige berg - tot aan
de woningen waar gij zijt,
ik voor Gods altaar treed
God, mijn geluk, mijn feest -
en u met harpspel loof,
God, die mijn God wilt zijn.

Wat buigt ge u neer, mijn ziel,
wat zijt ge ontrust in mij?
Stel gij op God uw hoop:
eenmaal loof ik Hem wéér
die mij bevrijdt - mijn God.

   (vert. I. Gerhardt, M. van der Zeyde)

Quatre motets sur des thèmes grégoriens opus 10

I  Ubi caritas

Ubi caritas et amor,
Deus ibi est.
Congregavit nos
in unum Christi amor.
Exsultemus
et in ipso jucundemur.


Waar liefde en vriendschap zijn
daar is God.
De liefde van Christus bracht ons
bijeen.
Verheugen en verblijden wij ons
in Hem.
   
   
   
   
   
   
   
   
   
   
   
   
   
   
   
   
   
   
   
   
   
   
   
   
   




 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.