TOELICHTINGEN OP DE COMPLETE ORGELWERKEN VAN BACH

RECENT:


"O Mensch, bewein den Sünde gross" BWV 622

             Volume 4 komt uit!
             U kunt op YouTube een track beluisteren
             waarbij foto's te zien zijn:               




Volume 3:  Bach - complete organ works on modern organs    

CD I

Track 1-2
Vitaliteit, virtuositeit en jeugdig vuur kenmerken Praeludium et Fuga in C BWV 531 van de jonge Bach.
Met een uitvoerige pedaalsolo wordt dit feestelijke werk geopend. Het thema van deze pedaalsolo is gebouwd op een kernachtig signaalachtig motief dat op meerdere manieren verwerkt wordt in het praeludium. Met een improvisatorische cadens wordt het praeludium besloten. De fuga is gebouwd op een thema dat begint met vrolijke octaafsprongen. Zowel ritmisch als ook melodisch is verwantschap tussen praeludium en fuga voelbaar. De exacte datering van het werk is niet bekend, onder meer omdat het oorspronkelijke manuscript niet bewaard is gebleven. Duidelijk is wel dat het werk onder invloed is geschreven van Noordduitse componisten zoals onder meer Georg Böhm (1661-1733) en Dietrich Buxtehude (1637-1707). Bijvoorbeeld de manier waarop het werk met de uitvoerige pedaalsolo begint wijst hier op. Er wordt vaak een verband gelegd tussen dit vroege werk van Bach en de bekende Praeludia in C van Böhm en Buxtehude, die eveneens met vergelijkbare pedaalsoli beginnen en als geheel een zelfde karakter hebben.

Track 3
De tekst van het indringende Erbarm dich mein, o Herre Gott BWV 721 is een berijming van Psalm 51, een boetepsalm. De prachtige cantus firmus (= koraalmelodie) ligt in de bovenstem, begeleid door intensieve accoordherhalingen zoals we die eigenlijk in andere koraalgebonden orgelwerken van Bach niet tegenkomen. De manier waarop de zeer mooie harmonische wendingen gestalte krijgen in die accoordherhalingen doet denken aan de klank en speeltrant van een viola da gamba-consort. De koraalmelodie is onstaan in 1524 te Erfurt en de tekst, eveneens uit 1524, is van Erhart Hegenwalt en is als volgt:

          Erbarm dich mein, o Herre Gott,
          nach deiner gross'n Barmherzigkeit,
          wasch ab, mach rein mein Missetat;
          ich kenn mein Sünd, und ist mir leid.
          Allein ich dir gesündigt hab,
          das ist wider mich stetiglich;
          das Bös vor dir nich mag bestahn,
          du bleibst grecht, ob du urteilst mich.


Track 4
Het koraalvoorspel Herzlich tut mich verlangen BWV 727 heeft als koraalmelodie de melodie die bij velen bekend is als 'O Haupt voll Blut und Wunden' zoals deze een aantal keren ook door de componist is opgenomen in diens Matthäus Passion. De melodie is van Hans Leo Hassler (1564-1612) en de tekst van het gedicht van Christoph Knoll (1563-1621) volgt hier:

          Herzlich tut mich verlangen
          nach einem selgen End,
          weil ich hier bin umfangen
          mit Trübsal und Elend.
          Ich hab lust, abzuscheiden
          von dieser argen Welt,
          sehn mich nach ew'gen Freuden.
          O Jesu, komm nur bald!


De cantus firmus ligt ook hier in de bovenstem en wordt door Bach voorzien van fraaie omspelingen die de emotionaliteit van het gedicht op expressieve manier vertolken.

Track 5 en 6
Tot de minder vaak uitgevoerde orgelwerken van Bach behoort zijn bekoorlijke Fantasia con Imitazione in b. Het is vermoedelijk een vroeg werk waarin de vanuit korte motiefjes (figura corta) gebouwde fantasia gevolgd wordt door een fuga-achtig deel: de Imitazione. Vanuit de beginthematiek van dit deel worden steeds nieuwe, maar verwante motieven polyfoon uitgewerkt.

Track 7 Het is niet zeker of de vrolijke Fuga in G BWV 576 van de hand van Bach is. Vanouds heeft het werk echter zijn plaats in de Bach-canon en verdient daarom een plaats in deze cd-opnamen. Als het van Bach is, dan gaat het hier om een zeer vroeg werk. Mede vanwege het uitbundige thema is het een zeer aantrekkelijk stuk.

Track 8 en 9
Zoals bekend bewerkte Bach veel muziek van tijdgenoten, vaak om zich te verdiepen in hun stijl en er van te leren. De collecties Concerten voor orgel danwel clavecimbel zijn hier een goed voorbeeld van. Ook bewerke hij enkele kamermuziekwerken van collega-componisten, waaronder het Trio in c nach Satz 1 und 2 einer Triosonate von Johann Friedrich Fasch BWV 585. Het eerste deel heeft een melancholiek karakter, gevolgd door een pittig en monter tweede deel.

Track 10 De Fuga in g BWV 578 geniet zijn grote bekendheid vermoedelijk door zijn aansprekende en wondermooie fugathema dat zich snel in het geheugen nestelt. De uitwerking van het thema is bijzonder aantrekkelijk zonder dat er sprake is van heel ingewikkelde polyfone technieken. Het werk stamt waarschijnlijk uit de vroege jaren van Bach en getuigt al van zijn ontwikkelde gevoel voor melodisch lijnenspel vol expressie. In het fugathema, maar eigenlijk het gehele stuk, is er sprake van een combinatie van elegante speelsheid met grote melodische kwaliteiten.

Track 11-22
Bach liet ons meerdere zeer mooie variatiereeksen (partita's) over verscheidene koraalmelodieën na. Van deze koraalparita's is de Partita diverse sopra Sei gegrüsset, Jesu gütig BWV 768 verreweg de meest uitgebreide. Het werk bestaat uit een koraal, gevolgd door elf variaties hierover. Er is altijd veel gespeculeerd over het al dan niet aanwezig zijn van een relatie tussen de zeven strofen van het lied 'Sei gegrüsset, Jesu gütig' en de elf variaties. Problematisch daarbij was bovendien dat Bach's eigen manuscript niet bewaard is gebleven en dat het werk niet altijd compleet of met een andere volgorde in de variaties ons is nagelaten. Heel begrijpelijk dus dat men wat betreft de achtergronden van dit werk lang in het duister heeft getast en we het moesten doen met de weergaloze muziek zonder meer.
In 1989 publiceert Dr. Albert Clement een zeer uitvoerige studie over de verhouding tussen tekst en muziek in de koraalpartita's van Bach. Hij komt tot de, naar mijn smaak, overtuigende conclusie dat niet het lied 'Sei gegrüsset, Jesu gütig' ten grondslag ligt aan het werk wat u nu gaat horen, maar het avondmaalslied O Jesu, du edle Gabe, dat dezelfde melodie heeft. Dít lied, op tekst van Johannes Böttiger (1613-1672), heeft 10 strofen en gezien de aard van de variaties maakt Clement in zijn boek duidelijk dat de volgende indeling door Bach bedoeld is:
1. Koraal: een vierstemmige zetting, waarin de melodie als thema gepresenteerd wordt, ter inleiding, zonder direkte betrekking op een van de strofen.
2. Tien variaties die betrekking hebben op de tien achtereenvolgende strofen van het lied 'O Jesu, du edle Gabe'
3. Koraal: Dit is variatie 11. Deze variatie functioneert als afsluitende, nu vijfstemmige en grootse, koraalzetting en is evenals de koraalzetting aan het begin niet direkt aan de tekst gebonden.
We zien en horen dus een symmetrische vorm: 10 variaties met aan weerskanten een zetting van het koraal ter inleiding en afsluiting van de compositie als geheel.
In de tekst van het lied 'O Jesu, du edle Gabe' is het geloof aan de redding van de zondaar door het bloed van Christus de kerngedachte, verwoord op een manier die past binnen de Duits-lutherse theologie van Bach's tijd waarin bovendien het Heilig Avondmaal volledig werd ervaren als voorsmaak van het eeuwig leven en de toekomstige vreugde en gemeenschap met God.
Om een indruk te geven van de geest van de tekst volgt hier de eerste strofe:

          O Jesu, du edle Gabe,
          mich mit deinem Blute labe,
          daran hab ich meine Freude,
          und stets meiner Seelen Weide,
          dein Blut mich von Sünden wäschet,
          und der Höllen Gluth auslöschet.


De laatste twee regels vormen de afsluiting van elke strofe.

Het zou veel te ver voeren binnen het bestek van deze toelichting om uitvoerig in te gaan op alle tekstrelationele details van elke variatie. Daarom hier een beknopt overzicht:

  • Koraal: de melodie van het lied waarop de variaties zijn gebaseerd wordt gepresenteerd

  • Variatie 1: tegen een zelfstandig thema in de linkerhand wordt in de rechterhand zeer uitvoerig en rijk de koraalmelodie versierd. Centraal staat de vreugde om het ontvangen van de 'edle Gabe': Christus' bloed.

  • Variatie 2: handelt over de verlossing van de zonden.

  • Variatie 3: het bloed van Christus brengt rust en genade, de toorn Gods is tot stilte gebracht.

  • Variatie 4: Christus' bloed is tot troost in angst en droefheid.

  • Variatie 5: spreekt over de listen van de duivel. In de kronkelige en vinnige motieven in de linkerhand horen we die streken duidelijk.

  • Variatie 6: laat de dreiging van het hellevuur horen. Zeer realistisch horen we in de twee bovenstemmen de vlammen grillig en hoog opslaan. In de bas klinkt de koraalmelodie.

  • Variatie 7: in een wiegende 12/8 maat (vanouds voor herdersmuziek), verwijzend naar Jezus als de Goede Herder en het paradijs als plek van rust en vrede, handelt de tekst hier over het sterven. Een groot contrast met variatie 6.

  • Variatie 8: benadrukt het door het sterven ingaan in nieuw leven. De zwier van de vederlichte 24/16 maat lijkt op tintelende wijze weer te geven dat na het sterven een proces van nieuw leven wordt begonnen. De motieven buitelen over elkaar heen op sierlijke wijze.

  • Variatie 9: spreekt over de opstanding van de doden en het laatste oordeel. Te midden van twee vrij concerterende stemmen ligt, nu in 3/4 maat onaantastbaar de koraalmelodie.

  • Variatie 10: verhaalt hoe de ziel begeleid naar de hemel wordt door engelen in het wit gekleed. Dit is de langste en meest verheven variatie. Evenals de vorige variatie in 3/4 maat gecomponeerd is de ritmiek verwant aan de sarabande, een oude statige dans. Men noemt deze variatie wel de 'himmlische Sarabande'. Je ziet als het ware de schrijdend voortbewegende engelen de ziel naar zijn bestemming brengen. In lange notenwaarden klinkt visionair de koraalmelodie boven de muziek van de sarabande.

  • Koraal: ter afsluiting, nu in een groots vijfstemmig organo pleno, een glorieuze zetting van de koraalmelodie.


  • CD II

    Track 1 en 2
    Koninklijk en monumentaal, zo zou men de Praeludium et Fuga in C BWV 547 kunnen noemen. Het werk stamt volgens meerdere kenners uit Bach's meest rijpe scheppingsperiode tijdens zijn jaren te Leipzig. Het thematisch materiaal van het praeludium in 9/8 maat toont sterke verwantschap met het openingskoor uit de Cantate BWV 65 'Sie werden aus Saba alle kommen' gecomponeerd voor Epifanie/Driekoningen. De omschrijving 'koninklijk' is dus zeker niet misplaatst voor dit praeludium! Stijgende toonladderfiguren en drieklankbrekingen vormen de kern van het thematisch materiaal waartegen in het pedaal steeds een beierend thema klinkt, passend bij de feestelijke luister van dit praeludium. Aan het eind van het praeludium wordt op verrassende wijze met enkele monumentale accoorden de vloeiende beweging onderbroken, om daarna weer te worden hervat. De zelfde handelswijze ervaren we op nog verbijsterender wijze aan het einde van de fuga. Door in beide delen deze techniek toe te passen wordt de eenheid tussen beide delen extra voelbaar. De fuga is gebouwd op een hymnisch thema dat zeer veelvuldig wordt gepresenteerd. De fuga bestaat uit meerdere segmenten:

    1. de expositie van het thema in alle vier de stemmen (alt-tenor-bas-sopraan).

    2. een tweede expositie van het thema, ook weer in alle vier de stemmen.

    3. een derde expositie van het thema, nu met het thema in de omkering, d.w.z. alle stijgende afstanden klinken nu dalend, en alle dalende afstanden klinken nu stijgend. Ook weer in alle vier de stemmen.

    4. een vierde expositie met het thema afwisselend 'gewoon' en in de omkering, ook weer in alle vier de stemmen.

    5. Het laatste gedeelte en hoogtepunt van de fuga. Tot nu toe heeft het pedaal steeds gezwegen waardoor Bach een steeds grotere spanning heeft opgebouwd met als gevoel bij de luisteraar 'wanneer komt nu eindelijk het pedaal eens'. In dit laatste gedeelte zet het pedaal bevrijdend en zeer majesteitelijk in met het fugathema in de vergroting. Dit wil zeggen dat het ritme van het thema in twee keer zo grote notenwaarden klinkt, dus twee keer zo langzaam. Door de inzet van het pedaal wordt de vierstemmigheid uitgebreid tot vijfstemmigheid. In de vier stemmen boven het pedaal klinkt ook nog, tegelijk met het fugathema in de vergroting in het pedaal (dat ook nog eens in de omkering komt!), het thema in 'gewone' gedaante en de omkering.

    Dit alles is van een grote complexiteit en hevigheid en inderdaad zeker overeenkomend met de muziek uit Bach's latere levensfase waarin hij tot het uiterste gaat van zijn compositorisch vermogen. Het vergaande, archaisch aandoende contrapunt van de fuga past in die monumentale wereld van muzikale vergezichten vervat in strenge polyfone technieken. Te denken valt hierbij aan o.m. Clavierübung III (met o.m. de Grote Orgelmis) de Hohe Messe, Das Musikalisches Opfer en Die Kunst der Fuge. Track 3 en 4

    In 1748 verscheen bij de uitgever Georg Schübler een bundel van 'Sechs Choräle nach verschiedener Art', een uitgave waarin van Bach diens eigen bewerkingen voor orgel van zes hoogtepunten uit zijn cantates gepubliceerd werden. U kunt er nu twee van beluisteren. Als eerste hoort u Meine Seele erhebt den Herren BWV 648. Oorspronkelijk was dit het vijfde deel uit de Cantate 'Meine Seele erhebt den Herren' BWV 10. In deze cantate wordt gebruik gemaakt van enkele verzen uit de Lofzang van Maria (uit Lucas I, het Magnificat). Hoewel de orgelversie de titel heeft van het eerste vers klinkt in de cantate op deze muziek de tekst van het negende vers van de Lofzang. Hier volgen de teksten van beide verzen:

              Meine Seele erhebt den Herren,
              und mein Geist freuet sich Gottes, meines Heilandes. (vers 1+2)

              Er denket der Barmherzigkeit,
              und hilft seinem Diener Israel auf (vers 9)


    Het stuk heeft een mild karakter, passend bij de tekst van vers 9. De koraalmelodie is in feite een van de oude gregoriaanse melodische formules waarop de Lofzang van Maria gereciteerd werd zowel in de Katholieke Latijnse alsook in de Lutherse Duitse versie. Deze reciteer'toon' is beroemd geworden onder de naam tonus peregrinus. In de bovenstem is deze duidelijk te horen in lange notenwaarden. In een milde maar ook wat melancholieke beweging in 6/8 maatsoort horen we muziek die doet denken aan een pastorale (herdersmuziek). Vermoedelijk heeft het begrip Barmherzigkeit Bach aangezet tot de keuze voor het pastorale-ritme: God die als een herder naar zijn volk omziet.

    Als tweede koraalbewerking uit de 'Schübler-Choräle' volgt dan Wer nur den lieben Gott lässt walten BWV 647, van oorsprong het vierde deel uit Cantate 'Wer nur den lieben Gott lässt walten' BWV 93. Hoewel ook hier de orgelversie de titel heeft van de eerste strofe klinkt in de cantate op deze muziek de tekst van de vierde strofe. Hier volgen beide strofen:

              Wer nur den lieben Gott lässt walten
              und hoffet auf ihn allezeit,
              den wird er wunderbar erhalten
              in aller Not und Traurigkeit.
              Wer Gott, dem allerhöhsten, traut,
              der hat auf keinen Sand gebaut.

              Er kennt die rechten Freudenstunden,
              er weiss wohl, wann es nützlich sei;
              wenn er uns nur hat treu erfunden
              und merket keine Heuchelei,
              so kommt Gott, eh wirs uns versehn,
              und lässet uns viel Guts geschehn.


    De tekst en de melodie van dit zeer beroemde lied uit 1657 zijn van de hand van Georg Neumark (1621-1681). In de thematiek van de stemmen die de koraalmelodie omspelen zijn elementen uit de koraalmelodie herkenbaar.


    Track 5 De Fantasia super Jesu, meine Freude BWV 713 is een compositie die bestaat uit twee delen. Het eerste gedeelte is een driestemmige fuga waardoorheen in lange noten de eerste zes regels van de melodie van dit koraal gevlochten zijn. Bijzonder is dat deze regels steeds in een andere stem liggen, achtereenvolgens in de bovenstem, de middenstem, de bas, de middenstem, de bas en de sopraan. Na dit eerste gedeelte gaat de muziek direkt over in een 3/8 gedeelte met als aanduiding dolce (=lieflijk). Opvallend is dat hier de laatste drie regels van de koraalmelodie niet meer gepresenteerd worden, maar dat er met name een uitvoerige uitwerking klinkt van een elegant thema dat gebaseerd is op de zevende regel 'Gottes Lamm, mein Bräutigam'. Na dit gedeelte heeft Bach nog een zetting in de vorm van een sopraan met becijferde bas toegevoegd. In combinatie met de tweedeligheid van de fantasia onstaat zo in totaal een mooie en evenwichtige driedelige vorm. De prachtige, beroemde melodie van het lied waarop deze Fantasia is gebaseerd is van Johann Crüger (1598-1662). De tekst is van Johann Franck (1618-1677) en luidt als volgt:

              Jesu, meine Freude,
              meines Herzens Weide,
              Jesu, meine Zier:
              ach wie lang, ach lange
              ist dem Herzen bange
              und verlangt nach dir!
              Gottes Lamm, mein Bräutigam,
              ausser dir soll mir auf Erden
              nichts sonst Liebers werden.


    Track 6-8
    De zes Triosonates voor orgel van Bach zijn driestemmige polyfone composities waarbij de twee bovenstemmen elk op een eigen manuaal en de bas in het pedaal wordt gespeeld. Deze zes sonates vormen een absoluut hoogtepunt in de gehele muziekliteratuur. De nu te vertolken Triosonate V in C BWV 529 is geliefd om zijn vrolijkheid in het eerste en derde deel. Het eerste deel is gebouwd in een A-B-A vorm: A is de uitvoerige uitwerking van het eerste thema met als belangrijk element speelse drieklankbrekingen, vol ontwapenende charme. B is het tweede thema, ook vrolijk maar toch wat lyrischer door de meer secundegewijs opgebouwde melodiek.
    Het presenteert zich ook tamelijk uitvoerig met hier en daar fragmenten uit het A-gedeelte als herinnering. Na het B-gedeelte volgt de volledige herhaling van A.
    Het tweede deel is in zijn melancholie zeer contrasterend met het eerste en derde deel, waarbij het ontroerende thema zich kenmerkt door grote ritmische en melodische vindingrijkheid. Het derde deel is gebouwd op een pregnant eerste thema dat fugatisch wordt behandeld waarbij ter afwisseling een tweede thema wordt gepresenteerd.

    Track 10
    In de intieme koraalbewerking Jesus, meine Zuversicht BWV 728 wordt de melodie van dit lied zeer rijk omspeeld met prachtig melodische lijnen vol verfijnde versieringskunst. De tekst en melodie (Berlijn,1653) van dit lied voor Pasen zijn van anonieme oorsprong. Dit is de eerste strofe:

              Jesus, meine Zuversicht
              und mein Heiland, ist im Leben.
              Dieses weiss ich: soll ich nicht
              darum mich zufrieden geben,
              was die lange Todesnacht
              mir auch für Gedanken macht?


    Track 10
    In de Fantasia super Christ lag in Todesbanden BWV 695, een elegante driestemmige koraalbewerking van Bach, ligt de melodie van het Paaslied Christ lag in Todesbanden in vooral lange notenwaarden in de middenstem (alt). In de registerkeuze onderscheidt deze zich van de twee andere stemmen, de sopraan en bas, die heel sierlijk maar ook vol lyrische expressie getoonzet zijn.
    Het beroemde Paaslied waarop deze compositie is gebaseerd is van Martin Luther (1483-1546) en is geworteld in de gregoriaanse Paassequens 'Victimae Paschali Laudes' en Luthers 'Christ ist erstanden'. De tekst van de eerste strofe is als volgt:

              Christ lag in Todesbanden
              für unsre Sünd gegeben:
              der ist wieder erstanden
              und hat uns bracht das Leben.
              Des wir sollen fröhlich sein,
              Gott loben und dankbar sein
              und singen Halleluja,
              Halleluja.


    Track 11
    De sobere Fuga super Durch Adams Fall ist ganz verderbt BWV 705 is een mooie maar weinig gehoorde koraalbewerking waarvan niet zeker is of Bach de auteur is. Elke koraalregel wordt fugatisch behandeld.

    Track 12 en 13
    De Toccata et Fuga in d BWV 565 behoort niet alleen tot de meest beroemde maar ook tot de meest vroege orgelwerken van Bach, hij componeerde het in de periode omstreeks 1702-1703. In dit werk bouwt hij voort op de 'Stylus Phantasticus', een grillige, exuberante wijze van componeren vol virtuositeit, onverwachte dramatische stiltes, afgewisseld met fugatische delen. Beroemde meesters die hun Toccata's en Praeludia in deze stijl componeerden zijn o.a. Buxtehude, Reinken, Lübeck en Bruhns. Bijzonder in dit Bachwerk is dat hij niet meer zoals bij zijn bovengenoemde voorgangers meerdere afgeronde fuga's, welke meestal worden gescheiden door improvisatorische tussenspelen, componeert, maar na een uiterst dramatische toccata één lange fuga met een voortdurend doorgaande beweging laat volgen. Nadere bestudering leert dat deze fuga bestaat uit vier episodes, in deze uitvoering ook vertolkt met elk een eigen registratie. De eenheid van deze fuga wordt echter, ondanks deze verdeling in vier episoden, bereikt doordat de afsluiting van elke episode overlapt wordt door de inzet van de volgende episode. Buitengewoon merkwaardig voor een per definitie meerstemmige, polyfone vorm als de fuga zijn de uitvoerige, naar richting tastende eenstemmige passages in de tweede episode van de fuga die hierdoor wellicht de functie van tussenspel krijgt. Na de vierde episode sluit Bach het werk virtuoos en quasi improvisatorisch af, geheel in de traditie van de 'Stylus Phantasticus'. Hij bereikt tussen toccata en fuga een hoge mate van eenheid doordat beide delen zijn gebaseerd op een eenvoudig maar zeer kernachtig basisidee: een dalende lijn van 7 noten, en de omkering hiervan, bv. a-g-f-e-d-cis-d-cis-d-e-f-g-a.

    Eric Koevoets







    Volume 2:  Bach - complete organ works on modern organs     

    CD I

    Track 1-2
    Deze CD wordt stralend begonnen met Praeludium et Fuga in C BWV 545. Opvallend in de opening is het gevoel van weidsheid dat bereikt wordt door de bovenstem zeer hoog ( op c’’’= de bijna hoogste toon van de orgels in de tijd van Bach) te laten beginnen terwijl in het pedaal steeds de onderste toon van het orgel (groot C) langs de weg van dalende drieklankbrekingen wordt bereikt.Het is alsof hemel en aarde elkaar raken. In deze opening hebben de bovenstemmen lange noten terwijl in de onderstemmen (afwisseling van pedaal en linkerhand) genoemde dalende drieklankbrekingen in dialoog met elkaar klinken. Na deze introduktie van drie maten ontvouwt zich een prachtig thema dat in het gehele praeludium door alle stemmen heen zal klinken. Het Praeludium eindigt met een variant op de introduktie zodat als het ware de cirkel rond is. De fuga is gebouwd op een groots, hymnisch thema. Het fugathema heeft een uitgesproken vocaal karakter door het stapsgewijs stijgen van de aanhef van dit thema. Een zekere verwantschap in opbouw en sfeer van dit thema is voelbaar met het thema van het Gratias agimus tibi uit Bach’s Hohe Messe.

    Track 3
    De 18 Leipziger Choräle vormen een verzameling van groot opgezette koraalbewerkingen. De titel ‘Leipziger Choräle’ verwijst ernaar dat Bach in zijn Leipziger jaren deze eerdere, veelal tijdens zijn organistschap in Weimar gecomponeerde stukken bij elkaar bracht tot een verzameling en ze bij die gelegenheid ook nog reviseerde.
    In de koraalbewerking An Wasserflüssen Babylon BWV 653 ligt de koraalmelodie (= cantus firmus) rijk versierd in de tenor, duidelijk waarneembaar door eens soloregister van het orgel. In de overige drie stemmen klinken) daartegen steeds motieven uit de cantus firmus, met name de eerste twee regels.
    De tekst is een berijming van Psalm 137 van Wolfgang Dachstein (+ 1487-1553) die ook de melodie van de cantus firmus maakte. Deze tekst luidt:

              An Wasserflüssen Babylon
              da sassen wir mit Schmerzen;
              als wir gedachten an Zion,
              da weinten wir von Herzen.
              Wir hingen auf mit schwerem Mut
              die Harfen un die Orgeln gut
              an ihre Bäum’ der Weiden,
              die drinnen sind in ihrem Land;
              da mussten wir viel Schmach und Schand
              täglich von ihnen Leiden.

    In deze tekst wordt de ballingschap van de inwoners van Jeruzalem, die in 587 vóór Christus na verwoesting van hun stad verdreven door de vijand werden naar Babel, bezongen. Uit deze tekst spreekt verdriet om dit zware verlies en heimwee naar het vaderland.

    Track 4
    De Fantasia et Fuga in a BWV 561 is een van de vroege orgelwerken van Bach. Zoals vaker bij met name Bach’s vroege orgelcomposities is de invloed van de Noordduitse orgelmeesters uit de Barok zoals o.a. Buxtehude en Bruhns zeer goed hoorbaar doordat Bach dit stuk heeft gecomponeerd in de door de Noordduitsers veel gebruikte stylus phantasticus: een grillige compositiemethode van vrije werken voor toets- instrumenten bestaande uit verschillende contrasterende secties. Virtuositeit vol flitsende drieklankbrekingen, toonladderfiguren worden afgewisseld met fuga’s. In deze niet vaak te beluisteren, maar zeer mooie compositie, neemt de tamelijk uitvoerige en vitale fuga een centrale plaats in, omarmd door gedeeltes waarin genoemde flitsende virtuositeit de hoofdrol speelt. De diverse secties worden aan elkaar geregen door brede accoorden.Track 5
    Eveneens afkomstig uit de 18 Leipziger Choräle is de koraalbewerking Von Gott will ich nicht lassen BWV 658. De cantus firmus ligt in de tenor en wordt uitgevoerd op het pedaalklavier. In de manuaalstemmen ontspint zich een verfijnd stemmenweefsel dat om de koraalmelodie heen gevlochten is. De tekst van de hand van Ludwig Helmbold (1532-1598) luidt:

              Von Gott will ich nicht lassen,
              denn er lässt nicht von mir,
              führt mich durch alle Strassen,
              da ich sonst irrte sehr.
              Er reicht mir seine Hand,
              den Abend und den Morgen
              tut er mich wohl versorgen,
              wo ich auch sei im Land.

    De melodie van de cantus firmus behoort tot de mooisten uit de liederenschat van de westerse kerk. Profaan van oorsprong ('Ich ging einmal spazieren') is ze later voertuig geworden voor kerkliederen zoals onder meer 'Une Jeune Pucelle', 'Von Gott will ich nicht lassen' en 'Mit Ernst, o Menschenkinder'.

    Track 6,7,8
    Bach's zes Triosonates voor orgel zijn driestemmige polyfone composities waarbij de twee bovenstemmen elk op een eigen manuaal en de bas in het pedaal wordt gespeeld. Deze zes sonates vormen een absoluut hoogtepunt in de gehele muziekliteratuur. De nu te vertolken Triosonate II in c BWV 526 heeft een lyrisch karakter, waarbij de melancholie bepaald wordt door de toonsoort c-mineur en in het eerste deel de vele dalende melodische lijnen waaronder een prachtig chromatisch dalend tweede thema. In melodisch contrast hiermee horen we in dit deel ook chromatisch stijgende kettingtrillers. Het middendeel in Es-majeur ademt een voorname rust, verheven en nobel. Het derde deel weer in de hoofdtoonsoort c-mineur is fugatisch van opbouw, het thema wordt uitvoerig in alle stemmen behandeld. Ter afwisseling klinkt een grillig tweede thema.

    Track 9
    Als derde koraalbewerking op deze CD is uit de 18 Leipziger Choräle gekozen Schmücke dich, o liebe Seele BWV 654.
    In 1649 lieten de dichter Johann Franck (1618-1677) en de componist Johann Crüger (1598-1662)
    tekst en melodie van dit Avondmaalslied het licht zien. Dit is de tekst:

              Schmücke dich, o liebe Seele,
              lass die dunkle Sündenhöhle,
              komm ins helle Licht gegangen,
              fange herrlich an zu prangen!
              Denn der Herr voll Heil und Gnaden
              will dich jetzt zu Gaste laden,
              der den Himmel kann verwalten,
              will jetzt Herberg in dir halten.

    In dit gedicht wordt het thema behandeld van de menselijke ziel, die zich moet sieren ('schmücken') zodat God in hem kan wonen. Deze gedachtegang heeft Bach bewogen tot een compositie rijk aan poëtische versieringskunst, lyrisch en verfijnd lijnenspel en een subtiel geornamenteerde cantus firmus, die in de bovenstem te horen is. Van grote schoonheid is het tedere beginmotief, dat in parallelle sexten en dubbele trillers welhaast strelend wordt gepresenteerd. Om het geheel in evenwicht te houden is er bij al deze innigheid ook sprake van een stille maar naar mijn smaak onmiskenbare majesteitelijkheid. Er wordt immers ook gesproken over 'der Herr voll Heil und Gnaden'. De keuze voor de toonsoort die het koninklijke en de wijsheid vertegenwoordigt, Es-majeur, bevestigt dit.

    Track 10 en 11
    Een groot hoogtepunt binnen de orgelmuziek van Bach is zijn Fantasia et Fuga in g BWV 542. Het werk wordt wel in verband gebracht met een sollicitatie in 1720 naar een functie als organist in de Sankt Jakobi in Hamburg. De Fantasia presenteert zich als een dramatisch, hevig bewogen recitatief dat twee maal door een lyrisch, polyfoon intermezzo onderbroken wordt. Opvallend is het geladen karakter van de harmonie.
    De grandioze fuga is levendig van aard en is gebouwd op een schitterend thema. Het thema toont opvallende gelijkenis met een oud Nederlands volksliedje waardoor de theorie bestaat dat Bach dit thema mogelijk gebruikt heeft als eerbetoon aan de Hamburgse organist Johann Adam Reinken (1643-1722) die van Nederlandse afkomst was. Dit fugathema wordt steeds vergezeld van twee contra-subjecten, oftewel thema's die steeds het fugathema vergezellen. Het eerste contra-subject bestaat uit lange dalende lijnen en het tweede bestaat uit een puntig, ritmisch vitaal gegeven. Ongeveer halverwege de fuga begint naast deze drie thema's nog een vierde gegeven een belangrijke rol te spelen.


    CD II

    Track 1 en 2
    Uit de jaren dat Bach in Leipzig werkzaam was stamt de buitengewoon indrukwekkende Praeludium et Fuga in c BWV 546. Met grote majesteit maar ook emotionele hevigheid opent het Praeludium met een themagroep, beginnende met een dialoog tussen de linkerhand en rechterhand, dat als een soort refrein of riternello de toon zet. Na deze uitvoerige eerste themagroep begint er op fugatische wijze een tweede themagroep bestaande uit lange stijgende lijnen, omspeeld door een wervelend thema bestaande uit triolen. Zoals gezegd keert de eerste eerste themagroep (of gedeeltes hieruit) een aantal keren op diverse manieren als refrein terug. De laatste keer dat het refrein verschijnt, als besluit van het Praeludium, is dit met exact dezelfde muziek als aan het begin van het stuk, waardoor een symmetrische vorm ontstaat. De Fuga heeft een driedelige vorm. In het eerste deel horen we een uitvoerige expositie van het eerste thema van de Fuga. Dit deel gaat direkt over in het tweede gedeelte dat is gebouwd op een tweede thema, waarna in het derde thema beide thema's op grandioze wijze gecombineerd worden in een toenemende muzikale spanning.

    Track 3,4,5,6
    Dit viertal koraalvoorspelen zijn beknopte stukken, ongetwijfeld bedoeld voor liturgisch gebruik, afkomstig uit Bach's vroege periode als componist. Gottes Sohn ist kommen BWV 724 is een rustige, vocaal gedachte polyfone compositie voor de kersttijd, terwijl Liebster Jesu, wir sind hier BWV 706 een prachtig voorbeeld is van Bach's ontroerende lyriek. Het werk doet denken aan de koraalzettingen zoals we die aan het einde van vele cantates van Bach en in diens passionen kunnen horen. Extravagant, ja welhaast bizar, zijn de twee zeer korte koraalvoorspelen Gelobet seist du, Jesu Christ BWV 722 (ook voor de kersttijd) en Herr Jesu Christ, dich zu uns wend BWV 726. Ook deze twee stukken zijn in feite koraalzettingen waarbij nu elke regel aan de volgende verbonden is door grillige virtuoze tussenspelen. Harmonisch zijn ze heel vooruitstrevend, expirimenteel en hoogst verrassend. Ze roepen het verhaal in herinnering over Bach's tijd als organist van de Neue Kirche in Arnstadt. De kerkeraad moppert op hem, niet alleen omdat hij veel te lang op verlof naar Lübeck, om Buxtehude te horen en ontmoeten, is weggebleven (i.p.v. vier weken bleef hij ongeveer vier keer zo lang weg!) maar ook omdat hij 'tot nu toe vele curieuze variationes had toegepast in zijn koraalvoorspelen, er vele vreemde noten in vermengde en dat hij daarmee de kerkgangers in verwarring had gebracht'. Of BWV 722 en BWV 726 rechtstreeks in verband staan met deze geschiedenis weet ik niet, maar deze stukken roepen wel het hier geschetste beeld op van de angry young man die de kerkgangers flink wakker schudt.

    Track 7 en 8
    Binnen de grote orgelwerken van Bach neemt diens Praeludium et Fuga in A BWV 536 een heel eigen karakter in. In tegenstelling tot de meeste Praeludiae et Fugae voor orgel, die in al hun verscheidenheid vaak als gemeenschappelijk noemer allure en grandeur hebben, heeft het vandaag gepresenteerde werk een intiem zachtmoedig karakter. Schuchter en teder als een prille lentedag ontvouwt zich het praeludium. In de fuga wordt dit karakter geprolongeerd, o.m. in de manier waarop het fugathema mild en argeloos zich presenteert, zonder dat zelfs direkt heel duidelijk is hoe het thema in de maat is ingedeeld. Pas in het ontstaan van de meerstemmigheid wordt voelbaar dat het hier om een driekwartsmaat gaat. Dit 'vrijzwevende' element in het fugathema geven het stuk een heel eigen vriendelijke bekoring.

    Track 9 en 10
    In 1748 verscheen bij de uitgever Georg Schübler een bundel van 'Sechs Choräle nach verschiedener Art', een uitgave waarin van Bach diens eigen bewerkingen voor orgel van zes hoogtepunten uit zijn cantates gepubliceerd werden. U kunt er nu twee van beluisteren.
    Als eerste hoort u Kommst du nun, Jesu, vom Himmel herunter BWV 650. Deze driestemmige, elegante koraalbewerking is afkomstig uit de cantate ‘Lobe den Herren, den mächtigen König der Ehren’ BWV 137. De melodie van het gelijknamige koraal horen we als versierde cantus firmus in de middenstem, uit te voeren op het pedaalkavier. De tekst die Bach gedacht heeft bij de orgelversie is niet te horen in de oorspronkelijke cantateversie en is bedoeld voor de adventstijd. Dit is de tekst van de orgelversie:

              Kommst du nun, Jesu, vom Himmel
              herunter auf Erden?
              Soll nun der Himmel und Erde
              vereiniget werden?
              Ewiger Gott,
              kann dich mein Jammer und Not
              bringen zu Menschen Gebärden?

                        (tekst en melodie van Ahasverus Fritsch, 1688)

    Het tweede stuk uit deze ‘Schübler-Choräle is het zeer bekende Wachet auf, ruft uns die Stimme BWV 645, oorspronkelijk afkomstig uit de gelijknamige cantate BWV 140. Ook hier ligt de koraalmelodie in de middenstem, uit te voeren met de linkerhand. In deze cantate voor het eind van het kerkelijk jaar klinken drie strofen van het gelijknamige koraal: in het openingskoor, het nu in de orgelversie te vertolken stuk en het slotkoraal. Hoewel de orgelversie de titel heeft van de eerste strofe, klinkt in de cantate op deze muziek de tekst van de tweede strofe. Beide strofen gaan van het zelfde evangelieverhaal uit, nl. dat van de vijf domme en vijf verstandige bruidsmeisjes (Matteus 25), en hebben in beide gevallen als strekking waakzaam te zijn voor de komst van Christus, de Bruidegom. Dit is de tekst van deze twee strofe

              Wachet auf, ruft uns die Stimme
              der Wächter sehr hoch auf der Zinne,
              Wach auf du Stadt Jerusalem!
              Mitternacht heißt diese Stunde;
              sie rufen uns mit hellem Munde:
              Wo seid ihr klugen Jungfrauen?
              Wohlauf, der Bräutigam kommt,
              steht auf, die Lampen nehmt!
              Halleluja! Hosianna!
              Macht euch bereit zu der Hochzeit,
              ihr müsset ihm entgegen gehen!"

              Zion hört die Wächter singen,
              das Herz tut ihr vor Freuden springen,
              sie wachet und steht eilend auf.
              Ihr Freund kommt vom Himmel prächtig,
              von Gnaden stark, von Wahrheit mächtig;
              ihr Licht wird hell, ihr Stern geht auf.
              Nun komm, du werte Kron,
              Wir folgen all zum Freudensaal
              und halten mit das Abendmahl.

                   (tekst en melodie van Philipp Nicolai 1599)

    Track 11, 12 en 13
    Bach heeft zich uitvoerig bezig gehouden met het bewerken voor orgel of clavecimbel van muziek van veelal Italiaanse componisten. Deze Italiaanse concerti grossi voor soloinstrumenten en strijkers boden hem een verruiming van zijn muzikale mogelijkheden en het maken van die bewerkingen gaven hem de mogelijkheid de Italiaanse stijl te doorgronden. Dit resulteerde uiteindelijk dan weer in eigen muziek, zoals het Italiaans Concert voor klavier en de zes Brandenburgse Concerten voor diverse soloinstrumenten en strijkers. In de bewerkingen die Bach maakte voegde hij allerlei fraaie versieringen, omspelingen en boeiende tussenstemmen toe.
    Binnen deze collecties van bewerkingen bevinden zich ook transcripties van concerti van Antonio Vivaldi (1678-1741). Het vandaag te beluisteren grote Concerto III in C BWV 594 is hiervan een luisterrijk voorbeeld. Het eerste en derde deel hebben een feestelijk karakter waarbij opvallend is dat in beide delen aan het einde een lange, virtuoze solo is gecomponeerd. Dit zelfde procédé horen we ook later in de reusachtige clavecimbelsolo aan het eind van het eerste deel van het Vijfde Brandenburgse Concert van Bach zelf. Het middendeel is een grillig, improvisatorisch recitatief met als begeleiding sobere, korte accoorden.


    Eric Koevoets



    V o l u m e  I

    CD I

    track 1 + 2

    Een uitbarsting van vreugde, zo zou men de Praeludium et Fuga in G BWV 541 kunnen noemen, een werk waarin Bach de oude en nieuwe invloeden van zijn tijd schitterend combineert.
    De vele virtuoze drieklankbrekingen, toonladderfiguren en toonherhalingen refereren aan de orgelmuziek van Noordduitse barokmeesters zoals o.a. Buxtehude, Bruhns, Reinken en Böhm, waarmee Bach al vroeg zeer vertrouwd was.

    Anderzijds horen we in het praeludium ook nieuwe invloeden uit Italië, waarbij elementen uit de concerten van onder meer Vivaldi terug te vinden zijn in de manier waarop steeds een of meerdere stemmen (soli) zich losmaken en de dialoog aangaan met de volledige meerstemmigheid (orkest). Dit procedé komen we ook tegen in Bach's Brandenburgse Concerten. De fuga grijpt dan weer terug op de reeds genoemde Noordduitse traditie door de toepassing van toonherhalingen in het fugathema.

    track 3

    Het Kleines harmonisches Labyrinth BWV 591 neemt een zeer aparte plaats in binnen het orgeloeuvre van Bach. Een labyrint is een doolhof, een plaats waar men makkelijk kan verdwalen. Wanneer men de uitgang gevonden denkt te hebben blijkt dit slechts schijn. Een 'harmonisch labyrint' is een compositie waarbij het verloop van de harmonie steeds anders gaat dan men verwacht, en het de bedoeling lijkt dat de luisteraar steeds verrast, ja mee gelokt wordt door gedurfde overgangen van de ene toonsoort naar de andere om net als in een doolhof het spoor bijster te raken. Zo'n avontuur was voor Bach een kolfje naar zijn hand! Het componeren van dit soort stukken was een geliefde bezigheid van meerdere van zijn tijdgenoten zoals o.m. Heinichen, Sorge en Kirnberger. Bach's compositie is driedelig van opzet: Na het eerste gedeelte (Introitus) volgt als middendeel (Centrum) een beknopte fuga, waarna het derde gedeelte (Exitus) het stuk besluit. Qua opzet en sfeer corresponderen het eerste en derde gedeelte met elkaar, wat ik tot uitdrukking laat komen door voor deze gedeeltes de zelfde registratie te gebruiken, terwijl ik voor de fuga een afwijkende klank kies.

    track 4 + 5

    In 1748 verscheen bij de uitgever Georg Schübler een bundel van 'Sechs Choräle nach verschiedener Art', een uitgave waarin van Bach diens eigen bewerkingen voor orgel van zes hoogtepunten uit zijn cantates gepubliceerd werden. U kunt er nu twee van beluisteren.
    Als eerste Wo soll ich fliehen hin BWV 646, een trio, vermoedelijk afkomstig uit een cantate die verloren is gegaan. Bach heeft behalve bovenstaande titel ook als tweede titelmogelijkheid Auf meinen lieben Gott gegeven, daar dit koraal de zelfde melodie heeft, maar ik vermoed dat het stuk meer is gedacht van uit de eerste titel. Het welhaast radeloze 'fliehen' (vluchten) is in de voortdurend elkaar achterna zittende bovenstem en onderstem naar mijn smaak overtuigend te horen waarbij in de middenstem de koraalmelodie indringend klinkt. De tekst van dit koraal luidt:

              Wo soll ich fliehen hin,
              weil ich beschweret bin
              mit viel und großen Sünden?
              Wo soll ich Rettung finden?
              Wenn alle Welt herkäme
              mein Angst sie nicht wegnähme.

    Het tweede 'Schübler-Choral', Ach bleib bei uns, Herr Jesu Christ BWV 649, is een bewerking van het derde deel uit de zesdelige Cantate BWV 6 Bleib bei uns, denn es will Abend werden, welke handelt over het verhaal van de Emmaüs-gangers (Lucas 24, vers 13-35). Het is eveneens een trio waarbij de koraalmelodie in de bovenstem ligt (oorspronkelijk voor sopraan), in de linkerhand de vrij concerterende middenstem gespeeld wordt (oorspronkelijk voor violoncello piccolo) en in het pedaal de baslijn te horen is (oorspronkelijk de basso continuo partij). Hier volgt de tekst van dit mooie avondlied:

              Ach bleib bei uns, Herr Jesu Christ,
              weil es nun Abend worden ist;
              dein Göttlich Wort, das helle Licht,
              laß ja bei uns auslöschen nicht.

    track 6-9

    Een geest van tederheid heerst over de Pastorella in F BWV 590, ook bekend onder de naam Pastorale (herdersmuziek). Het vierdelige werk is vermoedelijk voor de kersttijd gedacht. Het eerste deel toont verwantschap met pastorales van Italiaanse componisten zoals Zipoli en Corelli door de toepassing van lang liggende tonen in de bas (imitatie van de lange doedelzaktonen) en de 12/8 - maat. Het tweede deel is een elegante dans (allemande), gevolgd door een lyrische aria waarin Bach's melodische inventiviteit grenzeloos
    is. Als afsluiting klinkt een vrolijke gigue, eveneens een dans.

    track 10-18

    Bach liet ons meerdere zeer mooie variatiereeksen (partita's) over verscheidene koraalmelodieën na. De koraalpartita's van Bach behoren tot zijn vroege werk, waarbij de invloed van Georg Böhm (1661-1733) , die Bach in zijn jaren te Lüneburg veel gehoord moet hebben en mogelijk ook bezocht heeft voor het ontvangen van les in compositie en orgelspel, evident is. De Partita diverse sopra 'O Gott, du frommer Gott' BWV 767 bestaat uit een koraalzetting gevolgd door een reeks van acht zeer verschillende, fantasierijke variaties, waarin tal van registraties oftewel klankkleuren te bewonderen zijn. Van het lied van Johann Heerman (1585-1647) waarop deze partita is gebouwd is de eerste strofe aldus:

              O Gott, du frommer Gott,
              du Brunnquell guter Gaben,
              ohn dem nichts ist, was ist,
              von dem wir alles haben:
              gesunden Leib gib mir
              und daß in solchem Leib
              ein unverletzte Seel
              und rein Gewissen bleib.



    Het is zeker denkbaar dat de acht variaties (na de koraalzetting!) in meer of mindere mate corresponderen met de inhoud van de acht strofen van het lied. Kort samengevat komt dat dan op het volgende neer:

    variatie 1 - strofe 1: bede om gezondheid, een zuivere geweten en ongeschonden ziel.
    variatie 2 - strofe 2: bede om ijver en voorspoed in het vervullen van de levenstaak.
    variatie 3 - strofe 3: bede om steeds met verstand, helder en waar nodig moedig te spreken.
    variatie 4 - strofe 4: bede om hulp en moed in gevaar.
    variatie 5 - strofe 5: bede om met iedereen in vrede en vriendschap te leven.
    variatie 6 - strofe 6: bede om waardige ouderdom.
    variatie 7 - strofe 7: bede om Jezus' hulp en rust bij het sterven.
    variatie 8 - strofe 8: bede om opstanding op de jongste dag.

    track 19-21

    Dat de Fantasia of Concerto in G BWV 571 onder twee namen bekend is, wordt begrijpelijk als we de driedelige vorm naar Italiaans voorbeeld bekijken. Net als de Italiaanse concerten van bijvoorbeeld Vivaldi heeft dit werk de volgorde van een snel eerste deel, een middendeel in rustige beweging, en als afsluiting weer een snel deel. Deze Italiaanse 'concert' vorm wordt gecombineerd met de grillige 'fantasie' zo kenmerkend voor de Noordduitse stylus phantasticus van o.m. Buxtehude. Deze zeer fraaie en feestelijke, ook niet zo vaak te horen compositie is naar ik vermoed een vroeg werk (handschrift en datering ontbreken) en getuigt hoe de jeugdige Bach de diverse invloedssferen samen brengt. Het eerste deel is gebouwd op een thema bestaand uit toonherhalingen (à la Buxtehude), die in het tweede deel ook weer een rol spelen. Het laatste deel is gebouwd op een steeds terugkerend thema (ostinato) dat aanvankelijk in de bas ligt, maar later ook in andere stemmen te beluisteren is.



    V o l u m e  I

    CD II

    track 1

    Bach heeft zich uitvoerig bezig gehouden met het bewerken voor orgel of clavecimbel van muziek van componisten zoals Vivald en andere, eveneens veelal Italiaanse, componisten . Deze Italiaanse concerti grossi voor soloinstrumenten en strijkers boden hem een verruiming van zijn muzikale mogelijkheden en het maken van die bewerkingen gaven hem de mogelijkheid de Italiaanse stijl te doorgronden. Dit resulteerde uiteindelijk dan weer in eigen muziek, zoals het Italiaans Concert voor klavier en de zes Brandenburgse Concerten.

    Binnen deze collecties van bewerkingen bevinden zich ook vier transcripties (twee voor orgel, twee voor clavecimbel) van werk van Johann Ernst von Sachsen Weimar (1696-1715) , een muzikaal begaafde, veel te jong gestorven prins waarmee Bach contact had in de jaren 1708-1714, toen hij in dienst was van Wilhelm Ernst von Sachsen Weimar. De jonge Johann Ernst, die compositieles had bij Bach's neef Johann Gottfried Walther (1684-1771), vond tijdens een reis naar Amsterdam en Utrecht een verzameling Italiaanse muziek en heeft terug in Weimar zelf in Italiaanse stijl gecomponeerd. Zo ook het Concerto in C BWV 595. Van de orgelbewerking door Bach is alleen het eerste deel bewaard gebleven. In zijn bewerkingen heeft Bach de oorspronkelijke composities vaak verrijkt met boeiende versieringen en extra toegevoegde stemmen en vermoedelijk is dat hier ook het geval. Het is in ieder geval een vrolijke, hoofse compositie waarin de opvallend veelvuldige manuaalwisselingen de dialoog tussen de solo-instrumenten en het orkest laten horen.

    track 2

    In de koraalbewerking Herr Jesu Christ, dich zu uns wend BWV 709 wordt de cantus firmus (= de koraalmelodie) zeer rijk omspeeld waardoor een prachtig expressieve compositie ontstaat. De koraalmelodie is als het ware 'verborgen' in een uitvoerig viersierde melodische lijn. Dit procedé, van wat we noemen een gecoloreerde cantus firmus, is in de barok veel toegepast en vind in meerdere schitterende koraalbewerkingen van Bach een hoogtepunt. De tekst van het koraal is:

              Herr Jesu Christ, dich zu uns wend,
              dein heilgen Geist du zu uns send,
              mit Hilf und Gnad, Herr, uns regier
              und uns den Weg zur Wahrheit führ.

    track 3 + 4

    Bach's Praeludium et Fuga in D BWV 532 is een feestelijk, uitbundig werk. Het Praeludium bestaat uit drie delen: het eerste gedeelte heeft een grillig karakter met virtuoze toonladderfiguren, drieklankbrekingen, onverwachte stiltes, duidelijk naar het voorbeeld van de Noordduitse barokcomponisten zoals o.a. Buxtehude, Bruhns en Böhm. Het middengedeelte van het Praeludium is een vloeiend 'alla breve', waarin prachtige sequenzen te bewonderen zijn, in dit geval een steeds herhaald dalend motief. Het laatste gedeelte van het Praeludium is een dramatisch, hevig bewogen adagio.
    De Fuga heeft een thema waarin ook weer een dalende sequens gecomponeerd is, een verwijzing naar het gebruik van sequenzen in het Praeludium, zoals ook aan het slot van de Fuga de veelvuldige drieklankbrekingen terug doen denken aan het begin van het Praeludium.

    track 5 + 6

    Een geest van oneindige tederheid ligt over de twee wondermooie bewerkingen over Liebster Jesu, wir sind hier BWV 730 en 731. In hun tamelijke beknoptheid tonen ze gelijkenis met veel koralen uit het 'Orgelbüchlein'
    Eerst hoort u in BWV 730 een vier tot vijfstemmige zetting, polyfoon van opzet maar wel met het licht op de duidelijk te volgen melodie in de bovenstem. BWV 731 is een van de meest geliefde koraalbewerkingen van Bach. Vol poëzie wordt de melodie omspeeld waardoor een geheel nieuwe melodievoering ontstaat. U kunt hetzelfde procedé horen in BWV 709 (track 2) van deze CD. De tekst van het koraal luidt:

              Liebster Jesu, wir sind hier
              dich und dein Wort anzuhören;
              lenke Sinnen und Begier
              auf die süßen Himmelslehren,
              daß die Herzen von der Erden
              ganz zu dir gezogen werden.

    track 7

    Speels en dansend musiceren in Nun freut euch, lieben Christen g'mein BWV 734 de bovenstem (in de rechterhand) en de bas (in de linkerhand) als een steeds maar doorgaande omspeling van de koraalmelodie in de middenstem, de tenor (in het pedaal). Hoewel Bach als tweede titelmogelijkheid het koraal Es ist gewißlich an der Zeit geeft, dat handelt over het Laatste Oordeel, lijkt het toch wel voor de hand te liggen dat Bach, gezien de aard en wijze van componeren gedacht heeft vanuit de tekst zoals die is:

              Nun freut euch, lieben Christen g'mein
              und laßt uns fröhlich springen,
              daß wir getrost und all in ein
              mit Lust und Liebe singen,
              was Gott an uns gewendet hat
              und seine süße Wundertat;
              gar teur hat ers erworben.

    Het vrolijke karakter en de sprongen in de bas verwijzen duidelijk naar de zinsnede und laßt uns fröhlich springen.
    De tekst van dit uit tien strofen bestaande adventslied van Luther is later ook in verband gebracht met Hemelvaart en de zondagen na Trinitatis.

    track 8

    Het zeer mooie Trio in d BWV 583 is merkwaardig genoeg een wat minder vaak gespeelde compositie van Bach. De fraaie, innige melodische lijnen spreken immers direkt tot het hart. Interessant is dat in één van de handschriften waarin dit stuk bewaard is gebleven de aanduiding 'adagio' (= langzaam) vermeld staat. Evenals in de onvolprezen triosonates van Bach is de bovenstem toevertrouwd aan de rechterhand, de middenstem aan de linkerhand en de bas aan het pedaal.

    track 9-15

    Binnen het veelzijdige orgeloeuvre van Bach neemt de vermoedelijk als kleine cyclus bedoelde groep van Zeven Fughetta's over Koralen uit de Kersttijd een geheel eigen plaats in. Ik heb zelf voor een volgorde gekozen die mij door zijn afwisseling in sfeer, registratie en tempo het meest aantrekkelijk leek. Deze verfijnde miniaturen zijn geen 'gewone' koraalbewerkingen, daar vooral de beginregel (al dan niet gecombineerd met nog enkele motieven uit de koraalmelodie) de bouwsteen vormt voor deze uiterst beknopte maar polyfoon zeer rijke composities en niet de volledige koraalmelodie wordt behandeld. Dit procedé komen we ook in veel grotere dimensies tegen in het grootse 'Wir glauben all an einen Gott' BWV 680 uit 'Clavierübung III'.

    track 16 + 17

    Bach's Passacaglia BWV 582 is een van de absolute hoogtepunten uit de muziekgeschiedenis en vormt voor elke uitvoerder een leven lang een bron van studie en schoonheid. Treffend is wat de grote Nederlandse organist Piet Kee schrijft over dit werk: 'Het is een van die kunstwerken, die men gedurende enige eeuwen vanuit steeds wisselende gezichtsvelden heeft gezien en waarbij men op zoek blijft naar de manier waarop de maker keek. Er zijn dan ook niet veel orgelcomposities waarvan de interpretaties zo uiteenlopend zijn.'
    Een passacaglia is een oude compositievorm in driedelige maatsoort, waarin een steeds herhaald basthema het uitgangspunt is. Boven dit basthema, dat nu en dan ook in hogere stemmen optreedt, volgt een reeks variaties. Door middel van de registratie (het wijzigen van de orgelklank door het toevoegen of wegnemen van registers) is de groepering van de diverse variaties duidelijk waarneembaar, waarmee duidelijk wordt dat bepaalde variaties bij elkaar horen. In dit verband is in de interpretatie op deze cd onder meer een diepgaande studie van de al genoemde organist Piet Kee betrokken waarin betoogd wordt dat in Bachs Passacaglia het verloop en de groepering van de variaties gebaseerd zijn op de beden van het 'Onze Vader'. De Passacaglia wordt meteen gevolgd door een monumentale fuga, a.h.w. één groot 'Amen'. De fuga is gebouwd op de eerste helft van het passacagliathema waartegen steeds als vaste metgezel (contra-subject) een pregnant thema in achtste noten klinkt, waarin melodie-elementen uit de tweede helft van het passacagliathema zijn verwerkt. Al snel voegt zich bij deze twee thema's een derde thema bestaande uit een doorstromende beweging in zestienden.
    Het werk is waarschijnlijk al gecomponeerd in 1707/1708 (Bach was pas 22 !) en is een getuigenis van een op jonge leeftijd al bereikt groot meesterschap en rijpheid.