TOELICHTINGEN OP DE COMPLETE ORGELWERKEN VAN BACH
RECENT:
"O Mensch, bewein den Sünde gross" BWV 622
Volume
4 komt uit!
U
kunt op YouTube een track beluisteren
waarbij
foto's te zien zijn:
Volume 3: Bach - complete organ works on modern organs ![]()
CD I

Track 1-2
Vitaliteit, virtuositeit en jeugdig vuur kenmerken Praeludium et Fuga in
C BWV 531 van de jonge Bach.
Met een uitvoerige pedaalsolo wordt dit feestelijke werk geopend. Het thema
van deze pedaalsolo is gebouwd op een kernachtig signaalachtig motief dat
op meerdere manieren verwerkt wordt in het praeludium. Met een improvisatorische
cadens wordt het praeludium besloten. De fuga is gebouwd op een thema dat
begint met vrolijke octaafsprongen. Zowel ritmisch als ook melodisch is
verwantschap tussen praeludium en fuga voelbaar. De exacte datering van
het werk is niet bekend, onder meer omdat het oorspronkelijke manuscript
niet bewaard is gebleven. Duidelijk is wel dat het werk onder invloed is
geschreven van Noordduitse componisten zoals onder meer Georg Böhm
(1661-1733) en Dietrich Buxtehude (1637-1707). Bijvoorbeeld de manier waarop
het werk met de uitvoerige pedaalsolo begint wijst hier op. Er wordt vaak
een verband gelegd tussen dit vroege werk van Bach en de bekende Praeludia
in C van Böhm en Buxtehude, die eveneens met vergelijkbare pedaalsoli
beginnen en als geheel een zelfde karakter hebben.
Track 3
De tekst van het indringende Erbarm dich mein, o Herre Gott BWV 721 is een
berijming van Psalm 51, een boetepsalm. De prachtige cantus firmus (= koraalmelodie)
ligt in de bovenstem, begeleid door intensieve accoordherhalingen zoals
we die eigenlijk in andere koraalgebonden orgelwerken van Bach niet tegenkomen.
De manier waarop de zeer mooie harmonische wendingen gestalte krijgen in
die accoordherhalingen doet denken aan de klank en speeltrant van een viola
da gamba-consort. De koraalmelodie is onstaan in 1524 te Erfurt en de tekst,
eveneens uit 1524, is van Erhart Hegenwalt en is als volgt:
Erbarm dich
mein, o Herre Gott,
nach
deiner gross'n Barmherzigkeit,
wasch ab, mach
rein mein Missetat;
ich kenn mein
Sünd, und ist mir leid.
Allein ich dir
gesündigt hab,
das ist wider
mich stetiglich;
das Bös
vor dir nich mag bestahn,
du bleibst grecht,
ob du urteilst mich.
Track 4
Het koraalvoorspel Herzlich tut mich verlangen BWV 727 heeft als koraalmelodie
de melodie die bij velen bekend is als 'O Haupt voll Blut und Wunden' zoals
deze een aantal keren ook door de componist is opgenomen in diens Matthäus
Passion. De melodie is van Hans Leo Hassler (1564-1612) en de tekst van
het gedicht van Christoph Knoll (1563-1621) volgt hier:
Herzlich
tut mich verlangen
nach einem selgen
End,
weil ich hier
bin umfangen
mit Trübsal
und Elend.
Ich hab lust,
abzuscheiden
von dieser argen
Welt,
sehn mich nach
ew'gen Freuden.
O Jesu, komm
nur bald!
De cantus firmus ligt ook hier in de bovenstem en wordt door Bach voorzien
van fraaie omspelingen die de emotionaliteit van het gedicht op expressieve
manier vertolken.
Track 5 en 6
Tot de minder vaak uitgevoerde orgelwerken van Bach behoort zijn bekoorlijke
Fantasia con Imitazione in b. Het is vermoedelijk een vroeg
werk waarin de vanuit korte motiefjes (figura corta) gebouwde fantasia gevolgd
wordt door een fuga-achtig deel: de Imitazione. Vanuit de beginthematiek
van dit deel worden steeds nieuwe, maar verwante motieven polyfoon uitgewerkt.
Track 7 Het is niet zeker of de vrolijke Fuga in G BWV 576 van
de hand van Bach is. Vanouds heeft het werk echter zijn plaats in de Bach-canon
en verdient daarom een plaats in deze cd-opnamen. Als het van Bach is, dan
gaat het hier om een zeer vroeg werk. Mede vanwege het uitbundige thema
is het een zeer aantrekkelijk stuk.
Track 8 en 9
Zoals bekend bewerkte Bach veel muziek van tijdgenoten, vaak om zich
te verdiepen in hun stijl en er van te leren. De collecties Concerten voor
orgel danwel clavecimbel zijn hier een goed voorbeeld van. Ook bewerke hij
enkele kamermuziekwerken van collega-componisten, waaronder het Trio in
c nach Satz 1 und 2 einer Triosonate von Johann Friedrich Fasch BWV 585.
Het eerste deel heeft een melancholiek karakter, gevolgd door een pittig
en monter tweede deel.
Track 10 De Fuga in g BWV 578 geniet zijn grote bekendheid vermoedelijk
door zijn aansprekende en wondermooie fugathema dat zich snel in het geheugen
nestelt. De uitwerking van het thema is bijzonder aantrekkelijk zonder dat
er sprake is van heel ingewikkelde polyfone technieken. Het werk stamt waarschijnlijk
uit de vroege jaren van Bach en getuigt al van zijn ontwikkelde gevoel voor
melodisch lijnenspel vol expressie. In het fugathema, maar eigenlijk het
gehele stuk, is er sprake van een combinatie van elegante speelsheid met
grote melodische kwaliteiten.
Track 11-22
Bach liet ons meerdere zeer mooie variatiereeksen (partita's) over verscheidene
koraalmelodieën na. Van deze koraalparita's is de Partita diverse sopra
Sei gegrüsset, Jesu gütig BWV 768 verreweg de meest uitgebreide.
Het werk bestaat uit een koraal, gevolgd door elf variaties hierover. Er
is altijd veel gespeculeerd over het al dan niet aanwezig zijn van een relatie
tussen de zeven strofen van het lied 'Sei gegrüsset, Jesu gütig'
en de elf variaties. Problematisch daarbij was bovendien dat Bach's eigen
manuscript niet bewaard is gebleven en dat het werk niet altijd compleet
of met een andere volgorde in de variaties ons is nagelaten. Heel begrijpelijk
dus dat men wat betreft de achtergronden van dit werk lang in het duister
heeft getast en we het moesten doen met de weergaloze muziek zonder meer.
In 1989 publiceert Dr. Albert Clement een zeer uitvoerige studie over de
verhouding tussen tekst en muziek in de koraalpartita's van Bach. Hij komt
tot de, naar mijn smaak, overtuigende conclusie dat niet het lied 'Sei gegrüsset,
Jesu gütig' ten grondslag ligt aan het werk wat u nu gaat horen, maar
het avondmaalslied O Jesu, du edle Gabe, dat dezelfde melodie heeft. Dít
lied, op tekst van Johannes Böttiger (1613-1672), heeft 10 strofen
en gezien de aard van de variaties maakt Clement in zijn boek duidelijk
dat de volgende indeling door Bach bedoeld is:
1. Koraal: een vierstemmige zetting, waarin de melodie als thema gepresenteerd
wordt, ter inleiding, zonder direkte betrekking op een van de strofen.
2. Tien variaties die betrekking hebben op de tien achtereenvolgende strofen
van het lied 'O Jesu, du edle Gabe'
3. Koraal: Dit is variatie 11. Deze variatie functioneert als afsluitende,
nu vijfstemmige en grootse, koraalzetting en is evenals de koraalzetting
aan het begin niet direkt aan de tekst gebonden.
We zien en horen dus een symmetrische vorm: 10 variaties met aan weerskanten
een zetting van het koraal ter inleiding en afsluiting van de compositie
als geheel.
In de tekst van het lied 'O Jesu, du edle Gabe' is het geloof aan de redding
van de zondaar door het bloed van Christus de kerngedachte, verwoord op
een manier die past binnen de Duits-lutherse theologie van Bach's tijd waarin
bovendien het Heilig Avondmaal volledig werd ervaren als voorsmaak van het
eeuwig leven en de toekomstige vreugde en gemeenschap met God.
Om een indruk te geven van de geest van de tekst volgt hier de eerste strofe:
O Jesu,
du edle Gabe,
mich mit deinem
Blute labe,
daran hab ich
meine Freude,
und stets meiner
Seelen Weide,
dein Blut mich
von Sünden wäschet,
und der Höllen
Gluth auslöschet.
De laatste twee regels vormen de afsluiting van elke strofe.
Het zou veel te ver voeren binnen het bestek van deze toelichting om uitvoerig
in te gaan op alle tekstrelationele details van elke variatie. Daarom hier
een beknopt overzicht:
CD II
Track 1 en 2
Koninklijk en monumentaal, zo zou men de Praeludium et Fuga in C BWV
547 kunnen noemen. Het werk stamt volgens meerdere kenners uit Bach's meest
rijpe scheppingsperiode tijdens zijn jaren te Leipzig. Het thematisch materiaal
van het praeludium in 9/8 maat toont sterke verwantschap met het openingskoor
uit de Cantate BWV 65 'Sie werden aus Saba alle kommen' gecomponeerd voor
Epifanie/Driekoningen. De omschrijving 'koninklijk' is dus zeker niet misplaatst
voor dit praeludium! Stijgende toonladderfiguren en drieklankbrekingen vormen
de kern van het thematisch materiaal waartegen in het pedaal steeds een
beierend thema klinkt, passend bij de feestelijke luister van dit praeludium.
Aan het eind van het praeludium wordt op verrassende wijze met enkele monumentale
accoorden de vloeiende beweging onderbroken, om daarna weer te worden hervat.
De zelfde handelswijze ervaren we op nog verbijsterender wijze aan het einde
van de fuga. Door in beide delen deze techniek toe te passen wordt de eenheid
tussen beide delen extra voelbaar. De fuga is gebouwd op een hymnisch thema
dat zeer veelvuldig wordt gepresenteerd. De fuga bestaat uit meerdere segmenten:
- de expositie van het thema in alle vier de stemmen (alt-tenor-bas-sopraan).
- een tweede expositie van het thema, ook weer in alle vier de stemmen.
- een derde expositie van het thema, nu met het thema in de omkering, d.w.z. alle stijgende afstanden klinken nu dalend, en alle dalende afstanden klinken nu stijgend. Ook weer in alle vier de stemmen.
- een vierde expositie met het thema afwisselend 'gewoon' en in de omkering, ook weer in alle vier de stemmen.
- Het laatste gedeelte en hoogtepunt van de fuga. Tot nu toe heeft het pedaal steeds gezwegen waardoor Bach een steeds grotere spanning heeft opgebouwd met als gevoel bij de luisteraar 'wanneer komt nu eindelijk het pedaal eens'. In dit laatste gedeelte zet het pedaal bevrijdend en zeer majesteitelijk in met het fugathema in de vergroting. Dit wil zeggen dat het ritme van het thema in twee keer zo grote notenwaarden klinkt, dus twee keer zo langzaam. Door de inzet van het pedaal wordt de vierstemmigheid uitgebreid tot vijfstemmigheid. In de vier stemmen boven het pedaal klinkt ook nog, tegelijk met het fugathema in de vergroting in het pedaal (dat ook nog eens in de omkering komt!), het thema in 'gewone' gedaante en de omkering.
Dit alles is van een grote complexiteit en hevigheid en inderdaad
zeker overeenkomend met de muziek uit Bach's latere levensfase waarin hij
tot het uiterste gaat van zijn compositorisch vermogen. Het vergaande, archaisch
aandoende contrapunt van de fuga past in die monumentale wereld van muzikale
vergezichten vervat in strenge polyfone technieken. Te denken valt hierbij
aan o.m. Clavierübung III (met o.m. de Grote Orgelmis) de Hohe Messe,
Das Musikalisches Opfer en Die Kunst der Fuge. Track 3 en 4
In 1748 verscheen bij de uitgever Georg Schübler een bundel van 'Sechs
Choräle nach verschiedener Art', een uitgave waarin van Bach diens eigen
bewerkingen voor orgel van zes hoogtepunten uit zijn cantates gepubliceerd
werden. U kunt er nu twee van beluisteren. Als eerste hoort u Meine
Seele erhebt den Herren BWV 648. Oorspronkelijk was dit het vijfde
deel uit de Cantate 'Meine Seele erhebt den Herren' BWV 10. In deze cantate
wordt gebruik gemaakt van enkele verzen uit de Lofzang van Maria (uit Lucas
I, het Magnificat). Hoewel de orgelversie de titel heeft van het eerste
vers klinkt in de cantate op deze muziek de tekst van het negende vers van
de Lofzang. Hier volgen de teksten van beide verzen:
Meine Seele
erhebt den Herren,
und mein Geist
freuet sich Gottes, meines Heilandes. (vers 1+2)
Er denket der
Barmherzigkeit,
und hilft seinem
Diener Israel auf (vers 9)
Het stuk heeft een mild karakter, passend bij de tekst van vers 9. De koraalmelodie
is in feite een van de oude gregoriaanse melodische formules waarop de Lofzang
van Maria gereciteerd werd zowel in de Katholieke Latijnse alsook in de
Lutherse Duitse versie. Deze reciteer'toon' is beroemd geworden onder de
naam tonus peregrinus. In de bovenstem is deze duidelijk te horen
in lange notenwaarden. In een milde maar ook wat melancholieke beweging
in 6/8 maatsoort horen we muziek die doet denken aan een pastorale (herdersmuziek).
Vermoedelijk heeft het begrip Barmherzigkeit Bach aangezet tot de keuze
voor het pastorale-ritme: God die als een herder naar zijn volk omziet.
Als tweede koraalbewerking uit de 'Schübler-Choräle' volgt dan Wer
nur den lieben Gott lässt walten BWV 647, van oorsprong het
vierde deel uit Cantate 'Wer nur den lieben Gott lässt walten' BWV 93.
Hoewel ook hier de orgelversie de titel heeft van de eerste strofe klinkt
in de cantate op deze muziek de tekst van de vierde strofe. Hier volgen
beide strofen:
Wer nur
den lieben Gott lässt walten
und hoffet auf
ihn allezeit,
den wird er
wunderbar erhalten
in aller Not
und Traurigkeit.
Wer Gott, dem
allerhöhsten, traut,
der hat auf
keinen Sand gebaut.
Er kennt die
rechten Freudenstunden,
er weiss wohl,
wann es nützlich sei;
wenn er uns
nur hat treu erfunden
und merket keine
Heuchelei,
so kommt Gott,
eh wirs uns versehn,
und lässet
uns viel Guts geschehn.
De tekst en de melodie van dit zeer beroemde lied uit 1657 zijn van de hand
van Georg Neumark (1621-1681). In de thematiek van de stemmen die de koraalmelodie
omspelen zijn elementen uit de koraalmelodie herkenbaar.
Track 5 De Fantasia super Jesu, meine Freude BWV 713
is een compositie die bestaat uit twee delen. Het eerste gedeelte is een
driestemmige fuga waardoorheen in lange noten de eerste zes regels van de
melodie van dit koraal gevlochten zijn. Bijzonder is dat deze regels steeds
in een andere stem liggen, achtereenvolgens in de bovenstem, de middenstem,
de bas, de middenstem, de bas en de sopraan. Na dit eerste gedeelte gaat
de muziek direkt over in een 3/8 gedeelte met als aanduiding dolce (=lieflijk).
Opvallend is dat hier de laatste drie regels van de koraalmelodie niet meer
gepresenteerd worden, maar dat er met name een uitvoerige uitwerking klinkt
van een elegant thema dat gebaseerd is op de zevende regel 'Gottes Lamm,
mein Bräutigam'. Na dit gedeelte heeft Bach nog een zetting in de vorm
van een sopraan met becijferde bas toegevoegd. In combinatie met de tweedeligheid
van de fantasia onstaat zo in totaal een mooie en evenwichtige driedelige
vorm. De prachtige, beroemde melodie van het lied waarop deze Fantasia is
gebaseerd is van Johann Crüger (1598-1662). De tekst is van Johann
Franck (1618-1677) en luidt als volgt:
Jesu, meine
Freude,
meines Herzens
Weide,
Jesu, meine
Zier:
ach wie lang,
ach lange
ist dem Herzen
bange
und verlangt
nach dir!
Gottes Lamm,
mein Bräutigam,
ausser dir soll
mir auf Erden
nichts sonst
Liebers werden.
Track 6-8
De zes Triosonates voor orgel van Bach zijn driestemmige polyfone composities
waarbij de twee bovenstemmen elk op een eigen manuaal en de bas in het pedaal
wordt gespeeld. Deze zes sonates vormen een absoluut hoogtepunt in de gehele
muziekliteratuur. De nu te vertolken Triosonate V in C BWV 529
is geliefd om zijn vrolijkheid in het eerste en derde deel. Het eerste deel
is gebouwd in een A-B-A vorm: A is de uitvoerige uitwerking van het eerste
thema met als belangrijk element speelse drieklankbrekingen, vol ontwapenende
charme. B is het tweede thema, ook vrolijk maar toch wat lyrischer door
de meer secundegewijs opgebouwde melodiek.
Het presenteert zich ook tamelijk uitvoerig met hier en daar fragmenten
uit het A-gedeelte als herinnering. Na het B-gedeelte volgt de volledige
herhaling van A.
Het tweede deel is in zijn melancholie zeer contrasterend met het eerste
en derde deel, waarbij het ontroerende thema zich kenmerkt door grote ritmische
en melodische vindingrijkheid. Het derde deel is gebouwd op een pregnant
eerste thema dat fugatisch wordt behandeld waarbij ter afwisseling een tweede
thema wordt gepresenteerd.
Track 10
In de intieme koraalbewerking Jesus, meine Zuversicht BWV 728
wordt de melodie van dit lied zeer rijk omspeeld met prachtig melodische
lijnen vol verfijnde versieringskunst. De tekst en melodie (Berlijn,1653)
van dit lied voor Pasen zijn van anonieme oorsprong. Dit is de eerste strofe:
Jesus, meine
Zuversicht
und mein Heiland,
ist im Leben.
Dieses weiss
ich: soll ich nicht
darum mich zufrieden
geben,
was die lange
Todesnacht
mir auch für
Gedanken macht?
Track 10
In de Fantasia super Christ lag in Todesbanden BWV 695,
een elegante driestemmige koraalbewerking van Bach, ligt de melodie van
het Paaslied Christ lag in Todesbanden in vooral lange notenwaarden in de
middenstem (alt). In de registerkeuze onderscheidt deze zich van de twee
andere stemmen, de sopraan en bas, die heel sierlijk maar ook vol lyrische
expressie getoonzet zijn.
Het beroemde Paaslied waarop deze compositie is gebaseerd is van Martin
Luther (1483-1546) en is geworteld in de gregoriaanse Paassequens 'Victimae
Paschali Laudes' en Luthers 'Christ ist erstanden'. De tekst van de eerste
strofe is als volgt:
Christ lag in
Todesbanden
für unsre
Sünd gegeben:
der ist wieder
erstanden
und hat uns
bracht das Leben.
Des wir sollen
fröhlich sein,
Gott loben und
dankbar sein
und singen Halleluja,
Halleluja.
Track 11
De sobere Fuga super Durch Adams Fall ist ganz verderbt BWV 705
is een mooie maar weinig gehoorde koraalbewerking waarvan niet zeker is
of Bach de auteur is. Elke koraalregel wordt fugatisch behandeld.
Track 12 en 13
De Toccata et Fuga in d BWV 565 behoort niet alleen tot
de meest beroemde maar ook tot de meest vroege orgelwerken van Bach, hij
componeerde het in de periode omstreeks 1702-1703. In dit werk bouwt hij
voort op de 'Stylus Phantasticus', een grillige, exuberante wijze van componeren
vol virtuositeit, onverwachte dramatische stiltes, afgewisseld met fugatische
delen. Beroemde meesters die hun Toccata's en Praeludia in deze stijl componeerden
zijn o.a. Buxtehude, Reinken, Lübeck en Bruhns. Bijzonder in dit Bachwerk
is dat hij niet meer zoals bij zijn bovengenoemde voorgangers meerdere afgeronde
fuga's, welke meestal worden gescheiden door improvisatorische tussenspelen,
componeert, maar na een uiterst dramatische toccata één lange fuga met een
voortdurend doorgaande beweging laat volgen. Nadere bestudering leert dat
deze fuga bestaat uit vier episodes, in deze uitvoering ook vertolkt met
elk een eigen registratie. De eenheid van deze fuga wordt echter, ondanks
deze verdeling in vier episoden, bereikt doordat de afsluiting van elke
episode overlapt wordt door de inzet van de volgende episode. Buitengewoon
merkwaardig voor een per definitie meerstemmige, polyfone vorm als de fuga
zijn de uitvoerige, naar richting tastende eenstemmige passages in de tweede
episode van de fuga die hierdoor wellicht de functie van tussenspel krijgt.
Na de vierde episode sluit Bach het werk virtuoos en quasi improvisatorisch
af, geheel in de traditie van de 'Stylus Phantasticus'. Hij bereikt tussen
toccata en fuga een hoge mate van eenheid doordat beide delen zijn gebaseerd
op een eenvoudig maar zeer kernachtig basisidee: een dalende lijn van 7
noten, en de omkering hiervan, bv. a-g-f-e-d-cis-d-cis-d-e-f-g-a.
Eric Koevoets
Volume 2: Bach - complete organ works on modern organs
CD I

Track 1-2
Deze CD wordt stralend begonnen met Praeludium et Fuga in C BWV 545. Opvallend
in de opening is het gevoel van weidsheid dat bereikt wordt door de bovenstem
zeer hoog ( op c’’’= de bijna hoogste toon van de orgels in
de tijd van Bach) te laten beginnen terwijl in het pedaal steeds de onderste
toon van het orgel (groot C) langs de weg van dalende drieklankbrekingen wordt
bereikt.Het is alsof hemel en aarde elkaar raken. In deze opening hebben de
bovenstemmen lange noten terwijl in de onderstemmen (afwisseling van pedaal
en linkerhand) genoemde dalende drieklankbrekingen in dialoog met elkaar klinken.
Na deze introduktie van drie maten ontvouwt zich een prachtig thema dat in het
gehele praeludium door alle stemmen heen zal klinken. Het Praeludium eindigt
met een variant op de introduktie zodat als het ware de cirkel rond is. De fuga
is gebouwd op een groots, hymnisch thema. Het fugathema heeft een uitgesproken
vocaal karakter door het stapsgewijs stijgen van de aanhef van dit thema. Een
zekere verwantschap in opbouw en sfeer van dit thema is voelbaar met het thema
van het Gratias agimus tibi uit Bach’s Hohe Messe.
Track 3
De 18 Leipziger Choräle vormen een verzameling van groot opgezette koraalbewerkingen.
De titel ‘Leipziger Choräle’ verwijst ernaar dat Bach in zijn
Leipziger jaren deze eerdere, veelal tijdens zijn organistschap in Weimar gecomponeerde
stukken bij elkaar bracht tot een verzameling en ze bij die gelegenheid ook
nog reviseerde.
In de koraalbewerking An Wasserflüssen Babylon BWV 653 ligt de koraalmelodie
(= cantus firmus) rijk versierd in de tenor, duidelijk waarneembaar door eens
soloregister van het orgel. In de overige drie stemmen klinken) daartegen steeds
motieven uit de cantus firmus, met name de eerste twee regels.
De tekst is een berijming van Psalm 137 van Wolfgang Dachstein (+ 1487-1553)
die ook de melodie van de cantus firmus maakte. Deze tekst luidt:
An Wasserflüssen
Babylon
da sassen wir mit
Schmerzen;
als wir gedachten
an Zion,
da weinten wir von
Herzen.
Wir hingen auf mit
schwerem Mut
die Harfen un die
Orgeln gut
an ihre Bäum’
der Weiden,
die drinnen sind
in ihrem Land;
da mussten wir viel
Schmach und Schand
täglich von
ihnen Leiden.
In deze tekst wordt de ballingschap van de inwoners van Jeruzalem, die in 587
vóór Christus na verwoesting van hun stad verdreven door de vijand
werden naar Babel, bezongen. Uit deze tekst spreekt verdriet om dit zware verlies
en heimwee naar het vaderland.
Track 4
De Fantasia et Fuga in a BWV 561 is een van de vroege orgelwerken van Bach.
Zoals vaker bij met name Bach’s vroege orgelcomposities is de invloed
van de Noordduitse orgelmeesters uit de Barok zoals o.a. Buxtehude en Bruhns
zeer goed hoorbaar doordat Bach dit stuk heeft gecomponeerd in de door de Noordduitsers
veel gebruikte stylus phantasticus: een grillige compositiemethode van vrije
werken voor toets- instrumenten bestaande uit verschillende contrasterende secties.
Virtuositeit vol flitsende drieklankbrekingen, toonladderfiguren worden afgewisseld
met fuga’s. In deze niet vaak te beluisteren, maar zeer mooie compositie,
neemt de tamelijk uitvoerige en vitale fuga een centrale plaats in, omarmd door
gedeeltes waarin genoemde flitsende virtuositeit de hoofdrol speelt. De diverse
secties worden aan elkaar geregen door brede accoorden.Track 5
Eveneens afkomstig uit de 18 Leipziger Choräle is de koraalbewerking Von
Gott will ich nicht lassen BWV 658. De cantus firmus ligt in de tenor en wordt
uitgevoerd op het pedaalklavier. In de manuaalstemmen ontspint zich een verfijnd
stemmenweefsel dat om de koraalmelodie heen gevlochten is. De tekst van de hand
van Ludwig Helmbold (1532-1598) luidt:
Von Gott will
ich nicht lassen,
denn er lässt
nicht von mir,
führt mich
durch alle Strassen,
da ich sonst irrte
sehr.
Er reicht mir seine
Hand,
den Abend und den
Morgen
tut er mich wohl
versorgen,
wo ich auch sei
im Land.
De melodie van de cantus firmus behoort tot de mooisten uit de liederenschat
van de westerse kerk. Profaan van oorsprong ('Ich ging einmal spazieren') is
ze later voertuig geworden voor kerkliederen zoals onder meer 'Une Jeune Pucelle',
'Von Gott will ich nicht lassen' en 'Mit Ernst, o Menschenkinder'.
Track 6,7,8
Bach's zes Triosonates voor orgel zijn driestemmige polyfone composities waarbij
de twee bovenstemmen elk op een eigen manuaal en de bas in het pedaal wordt
gespeeld. Deze zes sonates vormen een absoluut hoogtepunt in de gehele muziekliteratuur.
De nu te vertolken Triosonate II in c BWV 526 heeft een lyrisch karakter, waarbij
de melancholie bepaald wordt door de toonsoort c-mineur en in het eerste deel
de vele dalende melodische lijnen waaronder een prachtig chromatisch dalend
tweede thema. In melodisch contrast hiermee horen we in dit deel ook chromatisch
stijgende kettingtrillers. Het middendeel in Es-majeur ademt een voorname rust,
verheven en nobel. Het derde deel weer in de hoofdtoonsoort c-mineur is fugatisch
van opbouw, het thema wordt uitvoerig in alle stemmen behandeld. Ter afwisseling
klinkt een grillig tweede thema.
Track 9
Als derde koraalbewerking op deze CD is uit de 18 Leipziger Choräle gekozen
Schmücke dich, o liebe Seele BWV 654.
In 1649 lieten de dichter Johann Franck (1618-1677) en de componist Johann Crüger
(1598-1662)
tekst en melodie van dit Avondmaalslied het licht zien. Dit is de tekst:
Schmücke
dich, o liebe Seele,
lass die dunkle
Sündenhöhle,
komm ins helle
Licht gegangen,
fange herrlich
an zu prangen!
Denn der Herr
voll Heil und Gnaden
will dich jetzt
zu Gaste laden,
der den Himmel
kann verwalten,
will jetzt Herberg
in dir halten.
In dit gedicht wordt het thema behandeld van de menselijke ziel, die
zich moet sieren ('schmücken') zodat God in hem kan wonen. Deze gedachtegang
heeft Bach bewogen tot een compositie rijk aan poëtische versieringskunst,
lyrisch en verfijnd lijnenspel en een subtiel geornamenteerde cantus firmus,
die in de bovenstem te horen is. Van grote schoonheid is het tedere beginmotief,
dat in parallelle sexten en dubbele trillers welhaast strelend wordt gepresenteerd.
Om het geheel in evenwicht te houden is er bij al deze innigheid ook sprake
van een stille maar naar mijn smaak onmiskenbare majesteitelijkheid. Er wordt
immers ook gesproken over 'der Herr voll Heil und Gnaden'. De keuze voor de
toonsoort die het koninklijke en de wijsheid vertegenwoordigt, Es-majeur,
bevestigt dit.
Track 10 en 11
Een groot hoogtepunt binnen de orgelmuziek van Bach is zijn Fantasia et Fuga
in g BWV 542. Het werk wordt wel in verband gebracht met een sollicitatie
in 1720 naar een functie als organist in de Sankt Jakobi in Hamburg. De Fantasia
presenteert zich als een dramatisch, hevig bewogen recitatief dat twee maal
door een lyrisch, polyfoon intermezzo onderbroken wordt. Opvallend is het
geladen karakter van de harmonie.
De grandioze fuga is levendig van aard en is gebouwd op een schitterend thema.
Het thema toont opvallende gelijkenis met een oud Nederlands volksliedje waardoor
de theorie bestaat dat Bach dit thema mogelijk gebruikt heeft als eerbetoon
aan de Hamburgse organist Johann Adam Reinken (1643-1722) die van Nederlandse
afkomst was. Dit fugathema wordt steeds vergezeld van twee contra-subjecten,
oftewel thema's die steeds het fugathema vergezellen. Het eerste contra-subject
bestaat uit lange dalende lijnen en het tweede bestaat uit een puntig, ritmisch
vitaal gegeven. Ongeveer halverwege de fuga begint naast deze drie thema's
nog een vierde gegeven een belangrijke rol te spelen.
CD II
Track 1 en 2
Uit de jaren dat Bach in Leipzig werkzaam was stamt de buitengewoon indrukwekkende
Praeludium et Fuga in c BWV 546. Met grote majesteit maar ook emotionele hevigheid
opent het Praeludium met een themagroep, beginnende met een dialoog tussen
de linkerhand en rechterhand, dat als een soort refrein of riternello de toon
zet. Na deze uitvoerige eerste themagroep begint er op fugatische wijze een
tweede themagroep bestaande uit lange stijgende lijnen, omspeeld door een
wervelend thema bestaande uit triolen. Zoals gezegd keert de eerste eerste
themagroep (of gedeeltes hieruit) een aantal keren op diverse manieren als
refrein terug. De laatste keer dat het refrein verschijnt, als besluit van
het Praeludium, is dit met exact dezelfde muziek als aan het begin van het
stuk, waardoor een symmetrische vorm ontstaat. De Fuga heeft een driedelige
vorm. In het eerste deel horen we een uitvoerige expositie van het eerste
thema van de Fuga. Dit deel gaat direkt over in het tweede gedeelte dat is
gebouwd op een tweede thema, waarna in het derde thema beide thema's op grandioze
wijze gecombineerd worden in een toenemende muzikale spanning.
Track 3,4,5,6
Dit viertal koraalvoorspelen zijn beknopte stukken, ongetwijfeld bedoeld voor
liturgisch gebruik, afkomstig uit Bach's vroege periode als componist. Gottes
Sohn ist kommen BWV 724 is een rustige, vocaal gedachte polyfone compositie
voor de kersttijd, terwijl Liebster Jesu, wir sind hier BWV 706 een prachtig
voorbeeld is van Bach's ontroerende lyriek. Het werk doet denken aan de koraalzettingen
zoals we die aan het einde van vele cantates van Bach en in diens passionen
kunnen horen. Extravagant, ja welhaast bizar, zijn de twee zeer korte koraalvoorspelen
Gelobet seist du, Jesu Christ BWV 722 (ook voor de kersttijd) en Herr Jesu
Christ, dich zu uns wend BWV 726. Ook deze twee stukken zijn in feite koraalzettingen
waarbij nu elke regel aan de volgende verbonden is door grillige virtuoze
tussenspelen. Harmonisch zijn ze heel vooruitstrevend, expirimenteel en hoogst
verrassend. Ze roepen het verhaal in herinnering over Bach's tijd als organist
van de Neue Kirche in Arnstadt. De kerkeraad moppert op hem, niet alleen omdat
hij veel te lang op verlof naar Lübeck, om Buxtehude te horen en ontmoeten,
is weggebleven (i.p.v. vier weken bleef hij ongeveer vier keer zo lang weg!)
maar ook omdat hij 'tot nu toe vele curieuze variationes had toegepast in
zijn koraalvoorspelen, er vele vreemde noten in vermengde en dat hij daarmee
de kerkgangers in verwarring had gebracht'. Of BWV 722 en BWV 726 rechtstreeks
in verband staan met deze geschiedenis weet ik niet, maar deze stukken roepen
wel het hier geschetste beeld op van de angry young man die de kerkgangers
flink wakker schudt.
Track 7 en 8
Binnen de grote orgelwerken van Bach neemt diens Praeludium et Fuga in A BWV
536 een heel eigen karakter in. In tegenstelling tot de meeste Praeludiae
et Fugae voor orgel, die in al hun verscheidenheid vaak als gemeenschappelijk
noemer allure en grandeur hebben, heeft het vandaag gepresenteerde werk een
intiem zachtmoedig karakter. Schuchter en teder als een prille lentedag ontvouwt
zich het praeludium. In de fuga wordt dit karakter geprolongeerd, o.m. in
de manier waarop het fugathema mild en argeloos zich presenteert, zonder dat
zelfs direkt heel duidelijk is hoe het thema in de maat is ingedeeld. Pas
in het ontstaan van de meerstemmigheid wordt voelbaar dat het hier om een
driekwartsmaat gaat. Dit 'vrijzwevende' element in het fugathema geven het
stuk een heel eigen vriendelijke bekoring.
Track 9 en 10
In 1748 verscheen bij de uitgever Georg Schübler een bundel van 'Sechs
Choräle nach verschiedener Art', een uitgave waarin van Bach diens eigen
bewerkingen voor orgel van zes hoogtepunten uit zijn cantates gepubliceerd
werden. U kunt er nu twee van beluisteren.
Als eerste hoort u Kommst du nun, Jesu, vom Himmel herunter BWV 650. Deze
driestemmige, elegante koraalbewerking is afkomstig uit de cantate ‘Lobe
den Herren, den mächtigen König der Ehren’ BWV 137. De melodie
van het gelijknamige koraal horen we als versierde cantus firmus in de middenstem,
uit te voeren op het pedaalkavier. De tekst die Bach gedacht heeft bij de
orgelversie is niet te horen in de oorspronkelijke cantateversie en is bedoeld
voor de adventstijd. Dit is de tekst van de orgelversie:
Kommst du
nun, Jesu, vom Himmel
herunter auf Erden?
Soll nun der Himmel
und Erde
vereiniget werden?
Ewiger Gott,
kann dich mein
Jammer und Not
bringen zu Menschen
Gebärden?
(tekst
en melodie van Ahasverus Fritsch, 1688)
Het tweede stuk uit deze ‘Schübler-Choräle is het zeer
bekende Wachet auf, ruft uns die Stimme BWV 645, oorspronkelijk afkomstig
uit de gelijknamige cantate BWV 140. Ook hier ligt de koraalmelodie in de
middenstem, uit te voeren met de linkerhand. In deze cantate voor het eind
van het kerkelijk jaar klinken drie strofen van het gelijknamige koraal: in
het openingskoor, het nu in de orgelversie te vertolken stuk en het slotkoraal.
Hoewel de orgelversie de titel heeft van de eerste strofe, klinkt in de cantate
op deze muziek de tekst van de tweede strofe. Beide strofen gaan van het zelfde
evangelieverhaal uit, nl. dat van de vijf domme en vijf verstandige bruidsmeisjes
(Matteus 25), en hebben in beide gevallen als strekking waakzaam te zijn voor
de komst van Christus, de Bruidegom. Dit is de tekst van deze twee strofe
Wachet auf,
ruft uns die Stimme
der Wächter
sehr hoch auf der Zinne,
Wach auf du Stadt
Jerusalem!
Mitternacht heißt
diese Stunde;
sie rufen uns
mit hellem Munde:
Wo seid ihr klugen
Jungfrauen?
Wohlauf, der Bräutigam
kommt,
steht auf, die
Lampen nehmt!
Halleluja! Hosianna!
Macht euch bereit
zu der Hochzeit,
ihr müsset
ihm entgegen gehen!"
Zion hört
die Wächter singen,
das Herz tut ihr
vor Freuden springen,
sie wachet und
steht eilend auf.
Ihr Freund kommt
vom Himmel prächtig,
von Gnaden stark,
von Wahrheit mächtig;
ihr Licht wird
hell, ihr Stern geht auf.
Nun komm, du werte
Kron,
Wir folgen all
zum Freudensaal
und halten mit
das Abendmahl.
(tekst
en melodie van Philipp Nicolai 1599)
Track 11, 12 en 13
Bach heeft zich uitvoerig bezig gehouden met het bewerken voor orgel of clavecimbel
van muziek van veelal Italiaanse componisten. Deze Italiaanse concerti grossi
voor soloinstrumenten en strijkers boden hem een verruiming van zijn muzikale
mogelijkheden en het maken van die bewerkingen gaven hem de mogelijkheid de
Italiaanse stijl te doorgronden. Dit resulteerde uiteindelijk dan weer in
eigen muziek, zoals het Italiaans Concert voor klavier en de zes Brandenburgse
Concerten voor diverse soloinstrumenten en strijkers. In de bewerkingen die
Bach maakte voegde hij allerlei fraaie versieringen, omspelingen en boeiende
tussenstemmen toe.
Binnen deze collecties van bewerkingen bevinden zich ook transcripties van
concerti van Antonio Vivaldi (1678-1741). Het vandaag te beluisteren grote
Concerto III in C BWV 594 is hiervan een luisterrijk voorbeeld. Het eerste
en derde deel hebben een feestelijk karakter waarbij opvallend is dat in beide
delen aan het einde een lange, virtuoze solo is gecomponeerd. Dit zelfde procédé
horen we ook later in de reusachtige clavecimbelsolo aan het eind van het
eerste deel van het Vijfde Brandenburgse Concert van Bach zelf. Het middendeel
is een grillig, improvisatorisch recitatief met als begeleiding sobere, korte
accoorden.
Eric Koevoets
![]()
V o l u m e I
CD I
track 1 + 2
Een uitbarsting van vreugde, zo zou men de Praeludium et Fuga in G
BWV 541 kunnen noemen, een werk waarin Bach de oude en nieuwe invloeden van
zijn tijd schitterend combineert.
De vele virtuoze drieklankbrekingen, toonladderfiguren en toonherhalingen
refereren aan de orgelmuziek van Noordduitse barokmeesters zoals o.a. Buxtehude,
Bruhns, Reinken en Böhm, waarmee Bach al vroeg zeer vertrouwd was.
Anderzijds horen we in het praeludium ook nieuwe invloeden uit Italië,
waarbij elementen uit de concerten van onder meer Vivaldi terug te vinden
zijn in de manier waarop steeds een of meerdere stemmen (soli) zich losmaken
en de dialoog aangaan met de volledige meerstemmigheid (orkest). Dit procedé
komen we ook tegen in Bach's Brandenburgse Concerten. De fuga grijpt dan weer
terug op de reeds genoemde Noordduitse traditie door de toepassing van toonherhalingen
in het fugathema.
track 3
Het Kleines harmonisches Labyrinth BWV 591 neemt een zeer aparte plaats in
binnen het orgeloeuvre van Bach. Een labyrint is een doolhof, een plaats waar
men makkelijk kan verdwalen. Wanneer men de uitgang gevonden denkt te hebben
blijkt dit slechts schijn. Een 'harmonisch labyrint' is een compositie waarbij
het verloop van de harmonie steeds anders gaat dan men verwacht, en het de
bedoeling lijkt dat de luisteraar steeds verrast, ja mee gelokt wordt door
gedurfde overgangen van de ene toonsoort naar de andere om net als in een
doolhof het spoor bijster te raken. Zo'n avontuur was voor Bach een kolfje
naar zijn hand! Het componeren van dit soort stukken was een geliefde bezigheid
van meerdere van zijn tijdgenoten zoals o.m. Heinichen, Sorge en Kirnberger.
Bach's compositie is driedelig van opzet: Na het eerste gedeelte (Introitus)
volgt als middendeel (Centrum) een beknopte fuga, waarna het derde gedeelte
(Exitus) het stuk besluit. Qua opzet en sfeer corresponderen het eerste en
derde gedeelte met elkaar, wat ik tot uitdrukking laat komen door voor deze
gedeeltes de zelfde registratie te gebruiken, terwijl ik voor de fuga een
afwijkende klank kies.
track 4 + 5
In 1748 verscheen bij de uitgever Georg Schübler een bundel van 'Sechs
Choräle nach verschiedener Art', een uitgave waarin van Bach diens eigen
bewerkingen voor orgel van zes hoogtepunten uit zijn cantates gepubliceerd
werden. U kunt er nu twee van beluisteren.
Als eerste Wo soll ich fliehen hin BWV 646, een trio, vermoedelijk afkomstig
uit een cantate die verloren is gegaan. Bach heeft behalve bovenstaande titel
ook als tweede titelmogelijkheid Auf meinen lieben Gott gegeven, daar dit
koraal de zelfde melodie heeft, maar ik vermoed dat het stuk meer is gedacht
van uit de eerste titel. Het welhaast radeloze 'fliehen' (vluchten) is in
de voortdurend elkaar achterna zittende bovenstem en onderstem naar mijn smaak
overtuigend te horen waarbij in de middenstem de koraalmelodie indringend
klinkt. De tekst van dit koraal luidt:
Wo soll ich fliehen
hin,
weil ich beschweret
bin
mit viel und großen
Sünden?
Wo soll ich Rettung
finden?
Wenn alle Welt
herkäme
mein Angst sie
nicht wegnähme.
Het tweede 'Schübler-Choral', Ach bleib bei uns, Herr Jesu Christ BWV
649, is een bewerking van het derde deel uit de zesdelige Cantate BWV 6 Bleib
bei uns, denn es will Abend werden, welke handelt over het verhaal van de
Emmaüs-gangers (Lucas 24, vers 13-35). Het is eveneens een trio waarbij
de koraalmelodie in de bovenstem ligt (oorspronkelijk voor sopraan), in de
linkerhand de vrij concerterende middenstem gespeeld wordt (oorspronkelijk
voor violoncello piccolo) en in het pedaal de baslijn te horen is (oorspronkelijk
de basso continuo partij). Hier volgt de tekst van dit mooie avondlied:
Ach bleib bei
uns, Herr Jesu Christ,
weil es nun Abend
worden ist;
dein Göttlich
Wort, das helle Licht,
laß ja bei
uns auslöschen nicht.
track 6-9
Een geest van tederheid heerst over de Pastorella in F BWV 590, ook bekend
onder de naam Pastorale (herdersmuziek). Het vierdelige werk is vermoedelijk
voor de kersttijd gedacht. Het eerste deel toont verwantschap met pastorales
van Italiaanse componisten zoals Zipoli en Corelli door de toepassing van
lang liggende tonen in de bas (imitatie van de lange doedelzaktonen) en de
12/8 - maat. Het tweede deel is een elegante dans (allemande), gevolgd door
een lyrische aria waarin Bach's melodische inventiviteit grenzeloos
is. Als afsluiting klinkt een vrolijke gigue, eveneens een dans.
track 10-18
Bach liet ons meerdere zeer mooie variatiereeksen (partita's) over verscheidene
koraalmelodieën na. De koraalpartita's van Bach behoren tot zijn vroege
werk, waarbij de invloed van Georg Böhm (1661-1733) , die Bach in zijn
jaren te Lüneburg veel gehoord moet hebben en mogelijk ook bezocht heeft
voor het ontvangen van les in compositie en orgelspel, evident is. De Partita
diverse sopra 'O Gott, du frommer Gott' BWV 767 bestaat uit een koraalzetting
gevolgd door een reeks van acht zeer verschillende, fantasierijke variaties,
waarin tal van registraties oftewel klankkleuren te bewonderen zijn. Van het
lied van Johann Heerman (1585-1647) waarop deze partita is gebouwd is de eerste
strofe aldus:
O Gott, du frommer
Gott,
du Brunnquell
guter Gaben,
ohn dem nichts
ist, was ist,
von dem wir alles
haben:
gesunden Leib
gib mir
und daß
in solchem Leib
ein unverletzte
Seel
und rein Gewissen
bleib.
Het is zeker denkbaar dat de acht variaties (na de koraalzetting!) in meer
of mindere mate corresponderen met de inhoud van de acht strofen van het lied.
Kort samengevat komt dat dan op het volgende neer:
variatie 1 - strofe 1: bede om gezondheid, een zuivere geweten en ongeschonden
ziel.
variatie 2 - strofe 2: bede om ijver en voorspoed in het vervullen van de
levenstaak.
variatie 3 - strofe 3: bede om steeds met verstand, helder en waar nodig moedig
te spreken.
variatie 4 - strofe 4: bede om hulp en moed in gevaar.
variatie 5 - strofe 5: bede om met iedereen in vrede en vriendschap te leven.
variatie 6 - strofe 6: bede om waardige ouderdom.
variatie 7 - strofe 7: bede om Jezus' hulp en rust bij het sterven.
variatie 8 - strofe 8: bede om opstanding op de jongste dag.
track 19-21
Dat de Fantasia of Concerto in G BWV 571 onder twee namen bekend is, wordt
begrijpelijk als we de driedelige vorm naar Italiaans voorbeeld bekijken.
Net als de Italiaanse concerten van bijvoorbeeld Vivaldi heeft dit werk de
volgorde van een snel eerste deel, een middendeel in rustige beweging, en
als afsluiting weer een snel deel. Deze Italiaanse 'concert' vorm wordt gecombineerd
met de grillige 'fantasie' zo kenmerkend voor de Noordduitse stylus phantasticus
van o.m. Buxtehude. Deze zeer fraaie en feestelijke, ook niet zo vaak te horen
compositie is naar ik vermoed een vroeg werk (handschrift en datering ontbreken)
en getuigt hoe de jeugdige Bach de diverse invloedssferen samen brengt. Het
eerste deel is gebouwd op een thema bestaand uit toonherhalingen (à
la Buxtehude), die in het tweede deel ook weer een rol spelen. Het laatste
deel is gebouwd op een steeds terugkerend thema (ostinato) dat aanvankelijk
in de bas ligt, maar later ook in andere stemmen te beluisteren is.
V o l u m e I
CD II
track 1
Bach heeft zich uitvoerig bezig gehouden met het bewerken voor orgel of clavecimbel
van muziek van componisten zoals Vivald en andere, eveneens veelal Italiaanse,
componisten . Deze Italiaanse concerti grossi voor soloinstrumenten en strijkers
boden hem een verruiming van zijn muzikale mogelijkheden en het maken van
die bewerkingen gaven hem de mogelijkheid de Italiaanse stijl te doorgronden.
Dit resulteerde uiteindelijk dan weer in eigen muziek, zoals het Italiaans
Concert voor klavier en de zes Brandenburgse Concerten.
Binnen deze collecties van bewerkingen bevinden zich ook vier transcripties
(twee voor orgel, twee voor clavecimbel) van werk van Johann Ernst von Sachsen
Weimar (1696-1715) , een muzikaal begaafde, veel te jong gestorven prins waarmee
Bach contact had in de jaren 1708-1714, toen hij in dienst was van Wilhelm
Ernst von Sachsen Weimar. De jonge Johann Ernst, die compositieles had bij
Bach's neef Johann Gottfried Walther (1684-1771), vond tijdens een reis naar
Amsterdam en Utrecht een verzameling Italiaanse muziek en heeft terug in Weimar
zelf in Italiaanse stijl gecomponeerd. Zo ook het Concerto in C BWV 595. Van
de orgelbewerking door Bach is alleen het eerste deel bewaard gebleven. In
zijn bewerkingen heeft Bach de oorspronkelijke composities vaak verrijkt met
boeiende versieringen en extra toegevoegde stemmen en vermoedelijk is dat
hier ook het geval. Het is in ieder geval een vrolijke, hoofse compositie
waarin de opvallend veelvuldige manuaalwisselingen de dialoog tussen de solo-instrumenten
en het orkest laten horen.
track 2
In de koraalbewerking Herr Jesu Christ, dich zu uns wend BWV 709 wordt de
cantus firmus (= de koraalmelodie) zeer rijk omspeeld waardoor een prachtig
expressieve compositie ontstaat. De koraalmelodie is als het ware 'verborgen'
in een uitvoerig viersierde melodische lijn. Dit procedé, van wat we
noemen een gecoloreerde cantus firmus, is in de barok veel toegepast en vind
in meerdere schitterende koraalbewerkingen van Bach een hoogtepunt. De tekst
van het koraal is:
Herr Jesu Christ,
dich zu uns wend,
dein heilgen Geist
du zu uns send,
mit Hilf und Gnad,
Herr, uns regier
und uns den Weg
zur Wahrheit führ.
track 3 + 4
Bach's Praeludium et Fuga in D BWV 532 is een feestelijk, uitbundig werk.
Het Praeludium bestaat uit drie delen: het eerste gedeelte heeft een grillig
karakter met virtuoze toonladderfiguren, drieklankbrekingen, onverwachte stiltes,
duidelijk naar het voorbeeld van de Noordduitse barokcomponisten zoals o.a.
Buxtehude, Bruhns en Böhm. Het middengedeelte van het Praeludium is een
vloeiend 'alla breve', waarin prachtige sequenzen te bewonderen zijn, in dit
geval een steeds herhaald dalend motief. Het laatste gedeelte van het Praeludium
is een dramatisch, hevig bewogen adagio.
De Fuga heeft een thema waarin ook weer een dalende sequens gecomponeerd is,
een verwijzing naar het gebruik van sequenzen in het Praeludium, zoals ook
aan het slot van de Fuga de veelvuldige drieklankbrekingen terug doen denken
aan het begin van het Praeludium.
track 5 + 6
Een geest van oneindige tederheid ligt over de twee wondermooie bewerkingen
over Liebster Jesu, wir sind hier BWV 730 en 731. In hun tamelijke beknoptheid
tonen ze gelijkenis met veel koralen uit het 'Orgelbüchlein'
Eerst hoort u in BWV 730 een vier tot vijfstemmige zetting, polyfoon van opzet
maar wel met het licht op de duidelijk te volgen melodie in de bovenstem.
BWV 731 is een van de meest geliefde koraalbewerkingen van Bach. Vol poëzie
wordt de melodie omspeeld waardoor een geheel nieuwe melodievoering ontstaat.
U kunt hetzelfde procedé horen in BWV 709 (track 2) van deze CD. De
tekst van het koraal luidt:
Liebster Jesu,
wir sind hier
dich und dein
Wort anzuhören;
lenke Sinnen und
Begier
auf die süßen
Himmelslehren,
daß die
Herzen von der Erden
ganz zu dir gezogen
werden.
track 7
Speels en dansend musiceren in Nun freut euch, lieben Christen g'mein BWV
734 de bovenstem (in de rechterhand) en de bas (in de linkerhand) als een
steeds maar doorgaande omspeling van de koraalmelodie in de middenstem, de
tenor (in het pedaal). Hoewel Bach als tweede titelmogelijkheid het koraal
Es ist gewißlich an der Zeit geeft, dat handelt over het Laatste Oordeel,
lijkt het toch wel voor de hand te liggen dat Bach, gezien de aard en wijze
van componeren gedacht heeft vanuit de tekst zoals die is:
Nun freut euch,
lieben Christen g'mein
und laßt
uns fröhlich springen,
daß wir
getrost und all in ein
mit Lust und Liebe
singen,
was Gott an uns
gewendet hat
und seine süße
Wundertat;
gar teur hat ers
erworben.
Het vrolijke karakter en de sprongen in de bas verwijzen duidelijk naar de
zinsnede und laßt uns fröhlich springen.
De tekst van dit uit tien strofen bestaande adventslied van Luther is later
ook in verband gebracht met Hemelvaart en de zondagen na Trinitatis.
track 8
Het zeer mooie Trio in d BWV 583 is merkwaardig genoeg een wat minder vaak
gespeelde compositie van Bach. De fraaie, innige melodische lijnen spreken
immers direkt tot het hart. Interessant is dat in één van de
handschriften waarin dit stuk bewaard is gebleven de aanduiding 'adagio' (=
langzaam) vermeld staat. Evenals in de onvolprezen triosonates van Bach is
de bovenstem toevertrouwd aan de rechterhand, de middenstem aan de linkerhand
en de bas aan het pedaal.
track 9-15
Binnen het veelzijdige orgeloeuvre van Bach neemt de vermoedelijk als kleine
cyclus bedoelde groep van Zeven Fughetta's over Koralen uit de Kersttijd een
geheel eigen plaats in. Ik heb zelf voor een volgorde gekozen die mij door
zijn afwisseling in sfeer, registratie en tempo het meest aantrekkelijk leek.
Deze verfijnde miniaturen zijn geen 'gewone' koraalbewerkingen, daar vooral
de beginregel (al dan niet gecombineerd met nog enkele motieven uit de koraalmelodie)
de bouwsteen vormt voor deze uiterst beknopte maar polyfoon zeer rijke composities
en niet de volledige koraalmelodie wordt behandeld. Dit procedé komen
we ook in veel grotere dimensies tegen in het grootse 'Wir glauben all an
einen Gott' BWV 680 uit 'Clavierübung III'.
track 16 + 17
Bach's Passacaglia BWV 582 is een van de absolute hoogtepunten uit de muziekgeschiedenis
en vormt voor elke uitvoerder een leven lang een bron van studie en schoonheid.
Treffend is wat de grote Nederlandse organist Piet Kee schrijft over dit werk:
'Het is een van die kunstwerken, die men gedurende enige eeuwen vanuit steeds
wisselende gezichtsvelden heeft gezien en waarbij men op zoek blijft naar
de manier waarop de maker keek. Er zijn dan ook niet veel orgelcomposities
waarvan de interpretaties zo uiteenlopend zijn.'
Een passacaglia is een oude compositievorm in driedelige maatsoort, waarin
een steeds herhaald basthema het uitgangspunt is. Boven dit basthema, dat
nu en dan ook in hogere stemmen optreedt, volgt een reeks variaties. Door
middel van de registratie (het wijzigen van de orgelklank door het toevoegen
of wegnemen van registers) is de groepering van de diverse variaties duidelijk
waarneembaar, waarmee duidelijk wordt dat bepaalde variaties bij elkaar horen.
In dit verband is in de interpretatie op deze cd onder meer een diepgaande
studie van de al genoemde organist Piet Kee betrokken waarin betoogd wordt
dat in Bachs Passacaglia het verloop en de groepering van de variaties gebaseerd
zijn op de beden van het 'Onze Vader'. De Passacaglia wordt meteen gevolgd
door een monumentale fuga, a.h.w. één groot 'Amen'. De fuga
is gebouwd op de eerste helft van het passacagliathema waartegen steeds als
vaste metgezel (contra-subject) een pregnant thema in achtste noten klinkt,
waarin melodie-elementen uit de tweede helft van het passacagliathema zijn
verwerkt. Al snel voegt zich bij deze twee thema's een derde thema bestaande
uit een doorstromende beweging in zestienden.
Het werk is waarschijnlijk al gecomponeerd in 1707/1708 (Bach was pas 22 !)
en is een getuigenis van een op jonge leeftijd al bereikt groot meesterschap
en rijpheid.


